TU/e Architectuur

 

Naam programma: Architectuur: Filosofie & Kritiek

 

Code:                7x700

Docenten:            Dr. Jacob Voorthuis

Email:               J.C.T.Voorthuis@bwk.tue.nl

Website:             www.voorthuis.net

Studiepunten:        3 ECTS

SBU:                 84 SBU

Tijd:                2e semester  2007-2008

Maandag 3e en 4e uur.

Plaats:              Auditorium 2

Inleveren werkstuk:  19.05

 

BESCHRIJVING

Architectuur wordt voortdurend 'geschreven' en 'gelezen'. Dat wil zeggen dat er tenminste twee scheppende activiteiten aan ten grondslag liggen: het maken en het kijken, waarvan het kijken door middel van de beschrijving ook een vorm van virtueel maken is. In deze serie colleges wordt de architectuur bekeken vanuit verschillende gezichtspunten in de filosofie met het doel een kritische houding te ontwikkelen ten aanzien van dit schrijven en beschrijven van de architectuur. Hiervoor komen een aantal centrale thema’s aan bod: de kracht van het beeld van de wereld, de macht van de oorsprongsgedachte en haar mythologie, de confrontatie van het herinnerde verleden met de bedachte toekomst in het onwennige heden, de beschrijving van de ruimte, en zo nog meer. Bij het lezen van gebouwen spelen deze thema’s allemaal tegelijkertijd een rol maar doorgaans neemt één bepaald thema een geprivilegieerde positie in. Dat roept een creatieve spanning op en zet men aan het denken...

 

Verklarend woordenboek

Concepten zijn bouwstenen waarmee een denkwereld gechargeerd kan worden met een richting. De gedachte gaat slechts vluchtige relaties aan met één of ander doel. De doelmatigheid van de wereld wordt steeds op nieuw bedacht en vaak met woorden en concepten die op het moment van de gedachte al aan fluisterende veranderingen van hun betekenis onderhevig zijn. Dat kan komen door de voorwaarden die gepresenteerd worden vanuit de context in tijd en ruimte van een(vooruit)gang veelal door het semantische geweld waaraan de taal voortdurend wordt blootgesteld. De instrumenten van het bedenken worden dan ook telkens weer aangepast. Er is niets dat de mogelijkheid tot creativiteit en begrip ontgaat. 

 

Geschiedenis

Geschiedenis is een verzameling verhalen over de praktijk van de architectuur en de reflectie daarover met de bedoeling deze actief te betrekken bij het huidige discours. Vragen zijn veelal eeuwen oud. Antwoorden veranderen met de context waarin de vraag gesteld wordt. Daarom blijft het herhaalde bezoek aan het verleden zo vruchtbaar. Om Gilles Deleuze te parafraseren: ‘geschiedenis bedrijven is als het maken van een portret: het is het scheppen van iets nieuws door middel van de beschrijving van een reis naar aanleiding van een definitieve vraag. De geschiedenis hoeft niet na te zeggen wat er reeds gezegd is, of eenvoudigweg te beschrijven wat er is gebeurd. De geschiedenis moet zeggen wat wellicht nooit is gezegd, maar wat toch aanwezig is in hetgeen wat er is gezegd. De geschiedenis moet beschrijven wat nooit eerder gezien is, maar wat wel altijd al zichtbaar was.’ Het nieuwe is het oude herschapen in de veranderde context. Een verhaal functioneert dan ook als vóór-beeld. Het houdt je een beeld voor van de gezamenlijke ervaring van het bouwen. Wat je daarmee doet is je eigen verantwoordelijkheid. Het verhaal heeft wellicht een eenduidig doel maar nooit een eenduidig effect. De intentie van de verteller wordt continue ondermijnd door de ruis van de achtergrond waartegen de luisteraar luistert. Geschiedenis is dan ook een “vieze discipline” oftewel “a leaky system”. Geschiedenis als systeem om de collectieve ervaring over te dragen lekt aan alle kanten en laat duidelijke sporen na die door geen van de partijen expliciet gewenst zijn. Maar die ongewenste sporen en overvloedige lekkage hebben hun functie. Een geschiedenis wekt op die manier mogelijkheden die niet door de docent zijn voorzien maar die vanuit de student zelf komen. De vruchtbaarheid van de geschiedenis zit verborgen in die goed bewaterde kloof. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen expliciete verplichtingen bestaan ten aanzien van de verteller en de luisteraar. De verteller gaat de wetenschappelijke plicht aan zijn bagage te declareren; de luisteraar kan dan oordelen en moet kritisch en behoedzaam zijn ten aanzien van zijn of haar eigen behoefte en rol en mogelijkheden.. Dat maakt het mogelijk voor de architect zijn eigen referentiekader voor elke beslissing ten aanzien van het ontwerp en zijn houding daarover te ondervragen. Niet alleen het voorbeeld maar juist ook het woord dat het voorbeeld opnieuw schept met een betekenis staat daarin centraal.

 

Strategie en tactiek

Een strategie is geen protocol, geen algoritme, geen handboek. Het is iets dat minder controle blijkt te bieden, het is een ‘in scène zetten’ van een geprivilegieerd verhaal over de overwinning, waar de hoop op die overwinning wordt onderbouwd met beredeneerde keuzes. Strategieën zijn moeilijk onder controle te houden naarmate hun mobilisatie nadert: zij mobiliseren kennis op basis van virtuele ervaring. In het echte leven moet men vertrouwen op de goden. Een tactiek daarentegen, is een vlugge beslissing ten aanzien van een bepaalde situatie. Zoals de bekende auteur over het voeren van oorlog Clausewitz wordt een strategie ver van het slagveld voorbereid, een tactiek daarentegen is een vlugge reactie op het slagveld zelf ten aanzien van een situatie die aldaar is ontstaan en die niet was voorzien. Voor de architect kan de ervaring in de vorm van een kritische geschiedenis van de architectuur “gemobiliseerd” worden tot een strategie, en kan een volle kennis van de geschiedenis hem helpen in het verzinnen van goede tactieken tijdens het ontwerpproces. Tegelijkertijd moet een ontwerpfilosofie op basis van ervaring niet te zwaar zijn. Zoals Paul Valéry het zegt: “een goede filosofie is draagbaar.” En dat is belangrijk. Om een economische geschiedenis te vinden moet men juist het dwalen heerlijk vinden, men is wetenschappelijke nomade, en die reizen licht. Tijdens dat dwalen komen er vragen op: wat vond men belangrijk, en waarom? Wat vindt men nu nog relevant, en waarom? En wat voor consequenties heeft dat ten aanzien van onze eigen ontwerphouding?

 

Onderwijsdoel

Aan het eind van deze reeks colleges zijn studenten in staat hun eigen praktijk in een breed referentiekader te plaatsen en daarmee de odyssee van het eigen ontwerpproces zorgvuldig te beleven.

 

Leerdoelen

Aan het eind van de reeks is de student in staat:

 

Programma

Het programma bestaat uit 8 colleges over filosofie en architectuur. Het is een ontdekkingsreis met een duidelijke lijn die langs verschillende begrippen zal leiden. De hieronder weergegeven is slechts een opsomming van mogelijke rustpunten. In beginsel kan elke lezing komen te vervallen ten behoeve van de invulling van een gastdocent.

 

#

Datum

Titel/Thema

1

28.01

Praxis & Theorein, een rol voor de filosofie

 

04.02

Geen college (carnaval)

2

11.02

Ruimtelijk lichaam: beweging, medium, oppervlak en het voorzetsel

3

18.02

R-evolutie & territorium: het ding, de machine en ik: de ontwikkeling van een object-subject

4

25.02

Utoop – Heterotoop: Plek en relatie: het daar zijn, het spel tussen autonomie en context, spiegel & kader, de manipulatie van lichaam en geest

 

25.02

Inleveren Voorstel

 

03.03

Geen College (voorbereiding tentamen)

 

10.03

Geen college (tentamenweek)

5

17.03

Een ontologie van het gebruik, een metafysica van het vinden: grenzen: binnen/buiten, leeg/vol, open/dicht

 

24.03

Geen college (2e paasdag)

6

31.03

WAARheid, WERKelijkheid, EERlijkheid, ECHTheid en ZUIVERheid

7

07.04

Stijl: achtergrond vs voorgrond & het maken van een zelf: een oneindige reeks maskers: Masker: Wit gezicht, zwart gat: teken en betekenis.

8

14.04

Beweging, Compositie en ritme: de beschrijving van de geest en het gelaat in de herinnering

9

21.04

Uitloopmogelijkheid

 

28.04

Geen college (tentamenweek)

 

19.05

Inleveren Werkstuk

 

 

Opdracht: Essay op Fundament 

Deze module is bedoeld om de studenten te laten reflecteren over hun mogelijk afstudeeronderwerp. De opdracht is een eerste aanzet tot het formuleren van een onderzoeksvraag die door middel van het ontwerp kan worden uitgediept. De bedoeling van de opdracht is om de sprong voor te bereiden van het denken naar de doordachte praktijk van het ontwerpproces met gebruik van een ruim en genereus historisch/filosofisch besef. Dat wil zeggen dat je de kennis en vaardigheden die je aan de TU opdoet, richting probeert te geven door bewust om te gaan met je houding ten opzichte van je eigen plaats in de wereld in het algemeen en jouw visie ten aanzien van de rol van de architectuur in het bijzonder. Het uiteindelijke doel van het essay is dat er een door jou gekozen begrip of concept wordt uitgediept en vertaald wordt naar een contemporaine, ruimtelijke ontwerpstrategie: jouw ontwerpstrategie.

 

De spelregels bij het schrijven van dit essay zijn als volgt:

  1. Je begint met het kiezen van een onderwerp (een woord, een begrip, een concept een geprivilegieerd thema in de filosofie of architectuur). De verplichte en aanbevolen literatuur kunnen hier bij helpen. De keuze mogelijkheid is erg breed. Men kan kiezen voor zeer abstracte begrippen of belangrijke relaties (muziek en architectuur etc.) maar ook woorden die men regelmatig gebruikt in het architectonisch discours, zoals plaats, symmetrie, chaos, harmonie, klimaat, lichtheid, gelaagdheid etc. Kijk vooral ook naar de manier waarop afstudeerateliers te werk gaan.
  2. Je formuleert een onderzoeksvraag van niet meer dan twee zinnen.
  3. Op basis daarvan ga je gericht onderzoek doen:
    1. etymologisch/semantisch (het ontstaan en de betekenis van het woord/concept/thema zelf en in relatie tot andere woorden en begrippen)
    2. historisch/pragmatisch (hoe is het concept door anderen geconcretiseerd, gebruikt en toegepast)
    3. architectonisch (welke aanknopingspunten het biedt ten aanzien van de ontwikkeling van een mogelijke ontwerphouding)
  4. Het Fundament: Op basis van divergent historisch onderzoek (boeken, artikelen, internet etc.) bouw je voor jezelf een toegespitst referentiekader op. Uit dat leeswerk ontstaat het eerste product: een uitgebreide bronnenlijst waarbij je iedere gebruikte bron volgens de algemeen geldende regels documenteert en kort van commentaar voorziet (niet meer dan 150 woorden per bron) en de volgende vragen beantwoord: Waar gaat de bron over? Wat is de probleemstelling of invalshoek van de auteur? Wat is de hoofdstelling van de auteur, wat vind hij? Hoe heb je het kunnen gebruiken? Hierbij moet de verplichte literatuur gebruikt worden en kan de aangeraden literatuur als begin van een onderzoek odyssee worden beschouwd.
  5. Het Essay: Dit is het convergente onderdeel. Op basis van deze uitvoerige bronnenlijst ontwikkel je een vraagstelling die je uitwerkt in een essay van niet meer dan 3000 woorden. De vraagstelling moet zorgvuldig worden geformuleerd.  Daar bedoel ik mee dat je een probleemstelling in je nieuw verworven kennis zoekt die de materie relevant maakt voor jouw eigen vragen ten aanzien van de architectuur en haar rol in de maatschappij. Die vraagstelling wordt uitgediept door gericht gebruik van de relevante bronnen en inzichten. Vanuit je divergente onderzoek ga je nu dus toespitsen op een specifiek probleem.

 

Het uiteindelijke product in de vorm van 1 boekwerkje op A5 formaat met de volgende elementen.

Deel 1: Het essay

·        Een beschrijving/ definitie van het begrip (zie punt 2a & b)

·        Een duidelijk geformuleerde probleemstelling oftewel onderzoeksvraag (maximaal twee zinnen)

·         Een essay (maximaal 3000 woorden) waarin je op basis van expliciet gebruik van het fundament het begrip verder uitwerkt in het kader van je probleemstelling en een eigen houding aanneemt en die houding ook probeert te concretiseren door een scenario op te stellen over hoe je dat begrip zou kunnen mobiliseren in een ontwerp.

Deel 2: Het Fundament:

·         Een zorgvuldig gedocumenteerde bronvermelding (becommentarieerde bibliografie)

 

Het cijfer

 

Ik beoordeel jullie werk op een aantal criteria, te weten:

 

Inlever rooster

 

·         Op 25.02.2008 WORDT er een VOORSTEL (digitaal, ½ A4tje) ingeleverd met een onderwerp en een eerste aanzet tot een onderzoeksvraag. Deze wordt z.s.m. en zo nodig met feedback teruggegeven.

·         De uiteindelijke inleverdatum voor het essay is 19.05.2008

·         Hierna is er één herkansingsmogelijkheid waarvan de inleverdatum met mij kan worden vastgesteld.

·         Te laat ingeleverde werkstukken worden wel nagekeken maar gaan onderaan de stapel en worden niet van schriftelijke feedback voorzien.

·         Alle werkstukken die na 30 juni 2008 worden ingeleverd worden niet nagekeken. Daarbij vervalt je recht op een cijfer en zul je het programma volgend jaar over moeten doen.

 

Uiteraard ben ik altijd te bereiken op mijn email adres  j.c.t.voorthuis@bwk.tue.nl

 

Verplichte literatuur:

 

Jacob Voorthuis, (2008) de genereuze stad, een tedere machine, een ontologie van het gebruik (beta versie 1.0) om het te bestellen ga naar www.lulu.com

 

Sterk Aanbevolen Literatuur:

 

Andrew Ballantyne, (2007) Deleuze & Guattari for Architects, Routledge.

 

Peg Rawes, (2007) Irigaray for Architects, Routledge.

 

Adam Sharr, (2007) Heidegger for Architects, Routledge.

 

Neil Leach, (ed.), (1997) Rethinking Architecture: A Reader in Cultural Theory, Routledge.

 

Kate Nesbitt, (ed.), (1996) Theorizing a New Agenda for Architecture, An Anthology of Architectural Theory, 1965-1995, Princeton Architectural Press

 

Hilde Heynen, (ed.), (2001) Dat is Architectuur, Sleutelteksten uit de twintigste eeuw , 010 Rotterdam.

 

Michael Hays, (ed.), (2000), Architecture Theory since 1968, MIT.