Taboe en Theorie, een oefening in het denken over architectuur

 

Dit essay is een poging om tot een houding te komen ten aanzien van het woord taboe, enerzijds als abstract begrip en sociaal instrument en anderzijds door te kijken naar concrete voorbeelden van het taboe en dan in het bijzonder in relatie tot de architectuur. De uitkomst levert, via een omweg, een aantal mogelijke geboden voor de architect.

 

Laten we beginnen met schelden: dat wil zeggen, mensen met korte, maar krachtig gearticuleerde lijsten negentiende-eeuwse epidemieën en meer intieme ziektes overgieten. Laatst hoorde ik een Hagenees zeggen: “Ik rèh me helemaal de cholera...”  Hij was chauffeur. In streken waar de manlijkheid en de vrouwelijkheid een zelfbevestigende richting opgeduwd worden, zijn het juist lichaamsdelen of seksuele voorkeuren die het er goed doen, in combinatie wellicht met een anale fixatie of Oedipale behoefte de moeder bij deze voorkeuren te betrekken. Maar schelden is vandaag de dag problematisch als taboe. Het huidige scheldwoord verwijst immers naar een taboe van een vorige eeuwen toen God nog gevreesd werd en de magische kracht van woorden tot andere producten leidde. Het woord kanker galmt nog wat na, maar ook die ziekte vervaagt in ons angstbeeld vanwege de toenemende medische hegemonie over het lichaam. Het schelden is, in plaats van een vervloeking, steeds meer komen te liggen in de sfeer van de zelftherapie, als ontlading van het ik. Het is daarmee vrijwel geheel gecentripetaliseerd als vorm van magie. Tegelijkertijd zijn de nieuwe taboes, de taboes van vandaag, nog te onzichtbaar, te vanzelfsprekend, we hebben ze nog nauwelijks benoemd en beschreven. Bij het formuleren van een taboe is een zekere kritische distantie nodig. Het vooruitgangsdenken heeft in die zin een bijzondere kloof laten ontstaan tussen het taboe, uitgedrukt in een bepaalde gewoonte, en het eigenlijke wereldbeeld waar het naar verwijst, dat tegenwoordig bijna continue aan verandering onderhevig is. Wij leven met verouderde taboes die aan kracht verloren hebben. Het beschrijven van een taboe is essentieel om hun magische krachten te kunnen overwinnen, maar om dat te kunnen doen hebben we tijd nodig om een bepaald wereldbeeld goed te leven. Dus vullen de taboes van vorige eeuwen, lichaamsdelen en ziektes, de openbare ruimte met hun agressieve cadens zonder duidelijke scheuren in de ruimte te veroorzaken. Reizend met het OV word ik dagelijks geconfronteerd met het gehele scala aan lichamelijke oefeningen en immunologische verwensingen. Ik merk het nauwelijks meer op. Een vrouw, elegant gekleed, smaakvol, midden dertig, redelijk figuur, loopt over de gang met haar mobieltje aan haar oor gekleefd. De trein rijdt door een tunnel. Haar verbinding wordt verbroken en de vrouw, heel rustig, licht geïrriteerd maar in het geheel niet opgewonden, benoemd haar eigen geslachtsorgaan alsof het in haar patent leren handtasje ligt opgeborgen naast de lipstick.

In het taboe zit het verbod verscholen achter het heilige, dat wil zeggen: in de verleiding naar een diepe wens.[1] En dat laatste is nu juist met de huidige vrijwel volledig geïmmuniseerde, alles consumerende samenleving geheel verdwenen. Het benoemen van het lichaamsdeel, de lichamelijke oefening en de ziekte hebben hun afstand genomen van de angst, de verleiding en de wens die daaraan verbonden liggen. Ziektes zijn te genezen en seks is al overal. Het scheldwoord dat aan beiden verbonden is dwarrelt in een leegte, of liever gezegd, in een ruimte waar de ruïne van het heiligdom onder het zand van de woestijn van de moderniteit bedolven is.[2] We hebben nieuwe scheldwoorden nodig. Maar daarvoor hebben we nieuwe taboes nodig. Waar is het taboelandschap van de moderne mens? Hoe ziet het er uit? Hoe bewandelen wij dat landschap?

 

Aan de basis van ons handelen en wandelen ligt geloof. Ook nu. Nu nog meer dan ooit. Geloof biedt de vorm en de richting van ons doen. Dit klinkt misschien raar; geloof wordt immers zo onverbiddelijk geassocieerd met religie, het Christendom of de Islam. Maar dat bedoel ik maar ten dele. Ik wil een abstractere versie van het geloven aanroepen. Het geloof (zonder hoofdletter) is de culminatie van een verzameling- en selectiespel van de ervaring in bewuste aanwezigheid waarvan een beslissing wordt genomen. Geloven is in die zin het voorwaardelijke equivalent van weten.  Meestal wordt die aanwezigheid gezien als een fundament, een basis: “ik geloof dat..., dus....” Dan spreken we ook van een logische beslissing. Het moment van de overtuiging, dat wil zeggen, de triomf van het geloof, is een moment waarop de vloeibaarheid van de realiteit gestold wordt in ons bewustzijn ten behoeve van een praktische beslissing. De overvloed aan verwarrende  bijkomstigheden verdwijnt even uit het zicht, de focus wordt helder het doel openbaart zich en we maken de snede (in de Latijnse en Angel Saksische talen zijn de-cision en in-cision en circum-cision aan elkaar gerelateerd op een manier dat de beslissing, snede en de besnijding dat net niet zijn). We kunnen de idee van een beslissing als snede in de continuïteit, terugbrengen tot twee concepten die niet zozeer een dualiteit bepleiten maar eerder een symmetrie.

 

Ten eerste is er het Dionysische en het Apollinische van Nietzsche.[3] Samengevat ad absurdum kunnen we stellen dat Schopenhauer een alles doordingende Wil poneerde en dat de wereld om ons heen de tot object geworden voorstelling van die Wil is. In Nietzsche’s filosofie is de alom aanwezige Wil vertegenwoordigd door de Griekse God van de wijn en de roes. Het Dionysische staat voor de oereenheid van alles; een dronkenschap van het bestaan waarin we bovendien in staat zijn “het ergste” te  zien. Het Dionysische is datgene dat zich buiten onze spreekbaarheid manifesteert. Het Apollinische daarentegen is de wereld van de representatie, de wereld waar de wil is gestold tot een verzameling van objecten. Het is waar de eenheid van de wil tot een multipliciteit van dingen uitgroeit, waar de eenheid van alles zichzelf bewijst door de veelheid ook nog aan te kunnen. De multipliciteit is een stolling van de Wil, het is de droom van Appollo, een visie waarnaar hij de zaak op orde stelt. Hij vindt alleen mooi wat hij kan beschrijven en ordenen; hij verheugt zich op ordelijkheid en is ook zondermeer bereid om ter wille van de ordelijkheid te liegen. Dit beeld is op een interessante manier gerelateerd aan dat van Bergson’s durée, dat vooral staat voor de vloeibaarheid van onze ervaring van de tijd en de ruimte, die door ons, in een Apollinische geste, gekalibreerd wordt ten einde een praktische beslissing mogelijk te maken. Het taboe in dit symmetrisch beeld van de wereld, is het bijzondere profiel in het landschap dat ontstaat wanneer Apollo het landschap van Dionysos, opmeet, ordent en inricht. Het is de voorwarde waarop Apollo het landschap van Dionysos aankan en “het ergste” uit het zicht houdt. Het taboe is de hoge berg waar achter het ergste zich bevind. Het taboe is de poort tot het labyrint, waarbinnen zich het ergste zich bevindt. Uiteindelijk zal het taboe leiden tot de heterotopie en de immunologie. Dus om het taboe van vandaag te vinden, moeten we zoeken naar alles wat te veel over onszelf drijgt te zeggen, alles wat we ver van ons willen houden. De mate van beschaving wordt gemeten aan de hand van de afstand die bewaard kan worden ten aanzien van onszelf en datgene dat wij niet willen zien. Elk geloof  produceert zijn ruimtelijk taboe in de vorm van een bewaakte en geheiligde afstand ten aanzien van bepaalde plekken en daden. Het taboe is dan ook de kruin van dat geloof; het punt waarna er niets meer is. Als het taboe ontheiligd wordt dan valt de Apollinische inrichting van het landschap geheel in elkaar en zien wij weer al te duidelijk wat wij niet mogen aanzien, het Dionysische, wellicht het niets.... Het is het punt waarop je weer op jezelf wordt terug gegooid. Het taboe ligt waar de vraag alleen nog het monsterlijke tot antwoord kan geven.

 

Angelus Novus

Walter Benjamin geeft een beroemd beeld van de geschiedenis dat hij heeft afgeleid van een schilderij van Paul Klee’s Angelus Novus. De engel vliegt achteruit de toekomst in en hij kijkt met verschrikte blik naar een groeiende berg wrakgoed. Die berg is de geschiedenis.[4] Dat wrakgoed is niet zomaar de fysieke restant van een samenleving, het ís de samenleving, de samenleving leeft op en van het wrakgoed dat het produceert. Sterker nog, het wrakgoed is het heilige, de geheiligde grond waarop gebouwd wordt. Wij bouwen in zekere zin altijd op het wrakgoed van onze gebeurtenissen. Die plekken zijn heilig. Maar, in het bouwen van het nieuwe, verdwijnt het heilige uit het zicht en verplaatst het zich, van de grond naar het gebouw zelf. Het wrakgoed maakt het heilige mogelijk.

 

In zekere zin is de relatie tussen het taboe, het heilige en het wrakgoed van onze cultuur een interessante. Het heilige, geschapen uit de restanten van belangrijke gebeurtenissen, ligt in de grond, in het landschap. Het verplaatst zich in het gebouw of het gebruik, en het taboe is het profiel van het heilige landschap, het geeft ons een richting het probeert grenzen aan te geven die een existentiële verantwoordelijkheid bij de mens leggen.

            Veelal wordt het achteruit vliegen van de engel en de lagen wrakgoed die tezamen het beeld van de relatie van de geschiedenis en de vooruitgang chargeren als significant beschouwd. Maar eigenlijk ben ik er steeds meer van overtuigd dat het juist het “engel zijn” van de engel is dat hier centraal staat. Een engel is de boodschapper tussen de goden en de mensen. Hij is gericht op de mensen en hun geloof, en zorgt dat Gods wil geschiedt. Hij is historicus en dus profeet, maar daarmee is hij ook meer. Hij zorgt ervoor dat, binnen een bepaalde geloof, dat wil zeggen een bepaald perspectief op de wereld, alles een duidelijke en mooi geordende plaats krijgt. Hij verzorgd de relatie tussen het wrakgoed in zijn tuin met zijn God. Hij leidt aan kosmische stress.[5] Zijn verschrikte blik is de blik van iemand die het teveel wordt. Er is zo veel wrakgoed. Zo veel perspectief, zo veel mogelijk, Hij weet er geen raad mee. De engel voelt zich oud. Hij zal binnenkort worden vervangen door een nieuw soort engel, een veel betere, die raad weet met een geologie van het wrakgoed. Die raad weet met de multipliciteit van onze samenleving, waarin vele perspectieven die nu simultaan mogelijk zijn geworden. Hij zal een nieuw landschap moeten inrichten met nieuwe bergen en labyrinten. Een engel met een betere CPU, die kalm blijft bij het verwerken van zoveel data, zoveel mogelijkheden zoveel wrakgoed. Dit is de uitdaging van vandaag. Het is niet meer de achteruitvliegende engel Gods die onze tijd kan beschrijven, er moet een engel komen die meer data en meer variabelen aan kan. Zijn blik hoeft niet naar voren. Maar hij moet wel veel meer kunnen zien. De oude engels ziet zijn Apollinische tuin in verval, hij  ziet “het ergste” om dat hij de relativiteit van zijn eigen inrichting heeft ontdekt. Zijn Apollinische droom is aan het vergruizen. Niets is meer duidelijk. Zoals Karl Marx schreef over zijn eigen tijd: “All that is solid melts into air”

 

Deel 2

 

Hoe zit het nu met de architectuur?

Maken we een geologische doorsnede van het architectonisch discours in de ateliers aan de faculteit dan zien we een verstrengelde gelaagdheid aan overtuigingen en taboes die onze beslissingen een bepaalde richting op sturen. Veel van de architectonische taboes van vandaag de dag zijn als de lege scheldwoorden waarmee ik dit essay begon. Ze zijn moe, en leveren nauwelijks meer een reactie op.

 

Neem bijvoorbeeld het woord “samenhang” met het begeleidend taboe de “onsamenhangendheid”. Wat betekend samenhang nu eigenlijk? Onder welke voorwaarden zoek je de samenhang? Waar ligt samenhang? Eigenlijk hangt alles toch al samen? Is het de uitdaging om samenhang te zoeken in een toevallige ontmoeting of is samenhang het trotse resultaat van een bepaald geloofssysteem of perspectief, een Apollinische inrichting? En zo ja, vind je die dan bevredigend? Moet samenhang worden gepresenteerd op een bordje door de ontwerper of moet het door de kijker worden gezocht? De samenhang die jij identificeert in je ontwerp, is die duidelijk en vanzelfsprekend voor anderen of is het een esoterisch eenmansspel? Ik wil niet stellen dat een concept als samenhang niet bruikbaar is, maar veelal is het aan een kant een excuus voor obscuritanisme in het ontwerp en aan de andere kant het goedkeuren van het banale.

 

Neem anders het woord “eerlijkheid”  met haar taboe “de architectonische leugen”. Met name in de tektoniek is dit een inmiddels klassiek voorbeeld. Het is niet nodig te vragen of een gebouw wel eerlijk kan zijn. Natuurlijk kan het, alles kan. Maar het is wel nodig te vragen hoe: Wat zijn de voorwaarden om een gebouw te laten delen in de ethische normen en waarden van een mens? En op welke analogie is zo’n eerlijkheid gebaseerd, en hoe ver is die analogie doordacht?[6] En wat doet het er nu echt toe? Dit is een groots taboe in de ontstaansgeschiedenis van het modernisme uit het moraliserende en analogische denken van de negentiende eeuw en één waar we nog altijd een ongemakkelijke relatie mee onderhouden in het architectuuronderwijs.

 

Daarop volgen woorden als “authentiek”. Zonder ons af te vragen wat de voorwaarden zijn voor authenticiteit vervallen we in de meest bizarre logica. Op een symposium niet zo lang geleden hoorde ik een restaurant ontwerper praten over authenticiteit alsof het een “effect” was dat je uit een catalogus kon bestellen: authentiek Frans, authentiek Italiaans.... Naar de plaatjes te oordelen die hij liet zien was het product van zijn authenticiteit een ondiep illusionisme.

 

De beargumentering van de “oorspronkelijkheid” of “originaliteit” is nog zo’n oud zeer. Er is niets dat meer conformisme stimuleert als de drang naar oorspronkelijkheid; niets dat meer banale willekeur oplevert dan de zucht naar originaliteit. Vanuit de woorden zelf geredeneerd institutionaliseren ze beiden een begin. Als iets origineel is dan is het een begin van een veelheid aan nakomelingen en neveneffecten. Het originele is uniek in de zin dat Adam uniek was en is. Hij is zelf echter in het evenbeeld van een schepper geschapen en onderdelen van zijn lichaam zijn de negatieven van de wereld om hem heen, passen die wereld op een intieme manier, zoals de voet de grond past en veel van zijn lichaamsdelen tonen overeenkomsten met ander levend materiaal op deze aardkloot, dat volgens de overlevering vóór en voor hem geschapen is. Waar zit hem dan zijn oorspronkelijkheid?  Hij had vele gezonde nakomelingen. Als we het woord origineel in de mond nemen bedoelen we vaak niet meer dan “verassend” vanuit een bepaald perspectief. Originaliteit als grootse geste, als verschuiving van ons paradigma van waaruit wij als kunstenaars en wetenschappers de consequenties en de grenzen proberen op te zoeken, is een verassende blik op een bepaalde uitdaging. Een originele geste is een begin van zo’n beweging maar is tegelijkertijd een synthese van reeds aanwezige elementen. Het originele zoeken omwille van een zucht naar iets origineels heeft dan ook iets incestueus: het levert monsters op. Het originele komt vanzelf bij de zoektocht naar de oplossing van een raadsel, naar een vraag die nog niet is gesteld, of nog niet is gesteld binnen een bepaalde context, en het vruchtbare daarvan is dat het reeds bestaande dat nog altijd goed bruikbaar is niet omwille van een gril wordt verbannen en dus ook heimwee op kan gaan roepen.

 

Die heimwee brengt ons naar het dwangbeeld van “het moderne” en de vormpolitiek. De politiek van her reactionaire versus het progressieve wordt gevangen gehouden in een vormpolitiek die zichzelf in de weg zit. Zowel de reactionairen als de progressieven leiden aan een blindheid. Hun relatie is een wederkerig taboe. Reactionair zijn is uiteraard een taboe voor mensen die zichzelf progressief noemen. Reactionairen zijn engelen die uit eigen keuze met hun rug naar de toekomst zijn gericht, niet wetend dat ze nooit om zullen kunnen draaien geloven zijn in hun eigen droom. Hun blik op het wrakgoed van de geschiedenis is echter niet verschrikt maar ongeduldig. Zij maken de fout dat ze denken dat hetgeen dat gebroken en verpulverd voor hen ligt nog te repareren valt. Ze willen het “repareren”, want ze denken dat het vroegere zoveel beter was dan de chaos die ze nu om zich heen zien. Wat ze vaak vergeten is de stank van het vroegere. Ze vergeten dat de drang tot verandering bij de vroege modernen niet uit het niets voort kwam. De ruines stinken niet meer, sterker nog die ruiken suggestief en zijn nu mooi gerestaureerd en geïmmuniseerd. Maar het authentieke Athene en oude Amsterdam stonken. Reactionairen ontdekken schoonheid in een verleden die zij zelf dromen. Want zoals Bergson ook zo mooi opmerkt, het verleden bestaat niet meer, er is alleen de tegenwoordige tijd. Ze zien niet hoe nieuw het oude van vandaag eigenlijk wel niet is. Progressieven daarentegen zijn engelen die hun eigen reactionaire kanten niet kennen. Zij zien de gebroken wereld ook als gebroken en zien de berg wrakgoed aan en willen telkens op nieuw beginnen en daarbij vergeten ze hoe oud het nieuwe eigenlijk is en hoe men het oude moet meenemen in het nieuwe. Tegelijkertijd is er niets minder stabiel dan de relatie tussen een vorm en haar politieke zeggingskracht. Er bestaan alleen progressieve vormen op afspraak.

 

Het is al reeds enige tijd belangrijk om te zeggen dat stijl niet belangrijk is en dat het in de architectuur niet om “mooi of lelijk” gaat maar om het overwinnen van het obstakel van de stijl en de esthetiek. Echter levert een eenvoudige ontkenning van hun betekenis geen bevrijding op. Het onbelangrijk zijn van stijl heeft paradoxaal genoeg alleen maar geleidt tot nieuwe en ergere stijldictaturen. Ik ken een man die het onbelangrijk vinden van kleren dragen zo belangrijk vind dat hij er zijn gehele carrière aan heeft opgehangen. Nu verveelt hij zich. Hij is een eiland geworden. Natuurlijk is stijl niet belangrijk. Laat het daarom zijn gang gaan! We maken ons druk om stijl, en het niet belangrijk zijn er van terwijl we weten dat de grondvraag van de architectuur in relatie tot de vier gebruikers: de verblijvenden, de omwonenden, de betalenden en de scheppenden eigenlijk centraal moet staan. Als we stijl echt onbelangrijk willen vinden, dan moeten we ook ophouden vormpolitiek te bedrijven.  Of nog beter, stijl eenvoudigweg als vormpolitiek bestempelen en het als zodanig leuk gaan vinden. Als we het echt niet belangrijk vinden, zullen we het ook echt niet belangrijk moeten vinden om modern of ouderwets of wat dan ook te zijn. Dan moeten we durven de vormpolitiek die we zo ijverig blijven bedrijven, ook echt los te laten. Maar wat dan?

 

Deze taboes zijn de overblijfselen, de ruïnes van het achterhoedegevecht tegen de willekeur die de architect dapper aangaat als een Don Quichote die in de windmolen zijn ergste vijand ziet. We hebben als zovelen Apollo’s de wereld van Dionysos vluchtig ingericht en dat levert consequenties op. Nu zijn er vele Apollo’s allemaal met een eigen bil. De uitdaging van vandaag is die multipliciteit aan blikken.

Het discours van een architectuur dat zichzelf steeds probeert te vernieuwen en tegelijkertijd op een stevig fundament wil rusten heeft een bizar theoretisch landschap opgeleverd dat zich aan een wilde en eclectische rechtvaardiging  te goed heeft gedaan. We kunnen het discours niet zuiveren van willekeur, daarvoor is het huidige landschap te omvangrijk. De willekeur, of liever gezegd de Dionysische oereenheid van alles omringt ons in de vorm van oneindige mogelijkheden. Deze te ordenen naar veelal naïeve en onvolledige analogieën, gekoesterde overtuigingen, religies en paradigma’s en te prioriteren volgens welke politiek dan ook levert alleen maar een dubbele willekeur op: een willekeur die bereid is te liegen over zijn eigen aard en dus ook subversieve gewoontes en misplaatste taboes stimuleert. De uitdaging van morgen is om dit landschap te gaan beschrijven en de voorwaarden neer te leggen voor een nieuw landschap van taboes. Omdat de taboe een product is van een perspectief dat geboden oplevert, wil ik een paar suggesties voor nieuwe geboden in een pluralistische samenleving doen waarbij juist de eenduidigheid van een geloofssysteem is ondermijnd.

Daarbij ga ik uit van het volgende: Architectuur is een kunst, kunst verroert de ziel van de mens die een onlosmakelijk onderdeel is van de wereld, de kunst behoeft een geraffineerde techniek en een liefde voor het maken. Dat betekent dat elk onderzoek naar het kunstzinnige in de architectuur en elk onderzoek naar het technische om dat kunstzinnige mogelijk te maken vooraf wordt gegaan door een houding. Die houding moet goed worden geoefend. Aristoteles noemde de oefening van je eigen houding jegens de wereld een theoria. Oorspronkelijk betekent theoria het zien van God. De bedoeling van de theoria is jezelf te kennen, de opdracht van iedere filosoof en verantwoordelijk mens. Door op die manier ieder nieuwtje te passen in je wereldbeeld, en de consequenties en inconsistenties ervan uit te werken, levert een zorgvuldige houding jegens je zelf en je taak.

De architect heeft een gigantische verantwoordelijkheid in de wereld. Hij maakt de omgeving die onvermijdelijk is. Die verantwoordelijkheid moet ook nog een licht en met plezier gedragen worden. Dat is een flinke uitdaging. Zorgvuldig nadenken over wat goed en mooi is, is daarom onontbeerlijk. Die oefening levert vanzelf een eigen landschap van taboes op. Door deze op te zoeken en te ondervragen heb je de kans om op een gedachte te komen die niet alleen origineel is maar ook nog eens zinvol.

 

Om te komen tot een goede architectuur, dus niet een nieuwe maar een goede zullen we moeten gaan kijken naar wat goed is en dat brengt ons bij de esthetiek en de ethiek in de zin dat de esthetiek kwaliteit beschrijft en de ethiek het proces beschrijft hoe die kwaliteiten te realiseren. Ten aanzien van het goede zal ieder zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, want, zoals Spinoza reeds besefte, is het goede en het mooie altijd ingekaderd vanuit een gezichtspunt, een perspectief, het is altijd relatief en immanent, niet te rechtvaardigen door verwijzing naar iets dat hoger is en absoluut. We moeten zelf verantwoording afleggen voor ieder ontwerp en ons beroepen op de technische mogelijkheden die ons geboden worden, onze ambities als kunstenaars en onze kritische benadering van de collectieve ervaring, de geschiedenis. We mogen dergelijke metawoorden als goed of mooi niet meer verbannen uit het discours, zoals recentelijk de mode was, maar hun inhoud telkens weer declareren en steeds weer opnieuw en voor onszelf formuleren. Ook moeten we af van alle trucjes die het denken proberen te vervangen in gedachteloze algoritmen: het systeem denken. Systemen zijn vervangers voor de kritiek, en kritiek, beginnend met oefeningen als de theoria is nu precies wat we niet moeten vervangen in het ontwerp. Alles wat de kritiek vervangt, zoals vormpolitiek en de idee van het kritiekloos herhaalbare systeem zal uiteraard altijd blijven bestaan, maar moet zelf uiterst kritisch worden benaderd. Niets mag zomaar vast staan in het ontwerpen behalve wellicht de noodzaak genereus te zijn naar de mens in de wereld. We zullen ons continue moeten bezighouden met ons eigen waardensysteem en die op overtuigingskracht toetsen. En daaruit vervolgens de consequenties voor het ontwerp uit distilleren. Wat voor een wereld willen we nu precies? Om de vormpolitiek echt onbelangrijk te gaan vinden en systemen bruikbaar te maken zullen we ons kritische geboden moeten gaan aansmeren, die zichzelf bezig houden niet met vormpolitiek maar met gebruik, met het praktische, met plezier en genot ongerelateerd aan één of ander fictief “vooruitgangsgevoel”.

 

Geboden

  1. Er zijn veel soorten mensen. Dat is fijn. Mensen vormen een onlosmakelijk onderdeel van de wereld en zijn producten van de natuur. Het woord “onnatuurlijk” betekent iets heel raars.
  2. De architect heeft een enorme verantwoording op zich genomen die hij licht moet dragen. Hij ontwerpt de wereld die niet kan worden gemeden.
  3. Aan de basis van een kunstzinnige architectuur ligt de techniek. Denk aan de sier van een topatleet en het technisch vernuft wat aan de basis van zijn kunnen ligt.
  4. Wees genereus. Er is in zekere zin geen maatschappij, er zijn alleen maar mensen.
  5. Weet dat de woorden slecht en goed, mooi en lelijk, eerlijk en oneerlijk, authentiek en zo voort heel bruikbaar zijn maar altijd onderhevig zijn aan een bepaald perspectief. Zoek de grenzen en de leugens van dat perspectief actief op.
  6. Hou de vier verschillende soorten gebruikers centraal in je ontwerpdenken: de verblijvenden, de omwonenden, de betalenden en de scheppenden en ondervraag je ontwerp telkens ten aanzien van die vier soorten gebruikers.
  7. Laat je zelf niet vangen door  een logisch extremisme. Het gevecht tegen de willekeur vervalt snel in paradoxen. Het enige toelaatbare systeem is de kritische ondervraging naar de mogelijke (sociale, economische, politieke en esthetische) consequenties van elke vorm.
  8. Het uitdrukken van de tijdsgeest doe je als vanzelf. Je kan niet anders, want je zit gevangen in je tijd, net zoals je, zoals Bataille dat mooi beschreef, in je lichaam gevangen zit. Wat jij wilt is niet zozeer de tijdsgeest uitdrukken, maar hem vormgeven, doe dat dan met plezier. De vragen zijn eeuwen oud, het antwoord heeft beschikking over moderne middelen.
  9. Zoals Walter Benajmin zei, een document, zoals een kunstwerk, heeft altijd twee kanten. Simultaan is het een uitdrukking van beschaving én barbarisme.
  10. Als stijl niet belangrijk is weet dan wat je zegt. Weet wat je bij de wens “modern”  of “traditioneel” te zijn bedoeld, ga na wat je in die woorden stopt en wat je daar uit weg laat en wees daar van bewust.
  11. Er bestaat geen logica anders dan de logica van een bepaald perspectief of zoals Wittgenstein zij vanuit een bepaald taalspel.

 



[2] Cf. Paul Virilio, Het Horizon Negatief, (1989), p. 28

[3] Friedrich Nietzsche, De geboorte van de tragedie, of Griekse cultuur en pessimisme (1886) Ned. Vertaling (2000) door Hans Driessen

[4] "Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt. Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt. Seine Augen sind aufgerissen, sein Mund steht offen, und seine Flügel sind ausgespannt. Der Engel der Geschichte muß so aussehen. Er hat das Antlitz der Vergangenheit zugewendet. Wo eine Kette von Begebenheiten vor uns erscheint, da sieht er eine einzige Katastrophe, die unablässig Trümmer auf Trümmer häuft und sie ihm vor die Füße schleudert..."

 

[5] Het gaat hier om wat Sloterdijk in een interview heeft genoemd de kosmische stress. Peter Sloterdijk: (los geciteerd) “Zij die de geschiedenis kennen, spreken met de goden, maar daarvoor betalen ze een dure prijs: de kosmische stress.” Deze anekdote is me verteld door Thomas A.P. van Leeuwen. Het geschreven equivalent van deze bron heb ik nog niet kunnen achterhalen.

[6] Zie op dit gebied de klassieker van Peter Collins, Changing Ideals in Modern Architecture 1750 - 1950, London 1965 & Philip Steadman, The Evolution of Designs: Biological Analogy in Architecture and the Applied Arts, Cambridge 1979.