DE ANGSTEN VAN EEN LUI MENS: OBLOMOW, BURKE EN DE FYSIOLOGIE VAN HET
VERHEVENE
Jacob Voorthuis
"Oblomow
was een man van een jaar of twee-, drieëndertig, van middelbare lengte, met
een innemend uiterlijk, (..) echter zonder een enkele markante gelaatstrek. De
gedachte dartelde over zijn gezicht als een vogeltje, wipte zijn ogen binnen,
zette zich even op zijn half geopende lippen, verschool zich in de rimpels van
zijn voorhoofd, om dan plotseling weer spoorloos te verdwijnen. Dan gleed de
glans van een kalme, hartverwarmende zorgeloosheid over zijn gezicht, ging
vandaar over op de houding van zijn lichaam en dan op de plooien van zijn
kamerjas."[1]
Karel van het Reve heeft beweerd dat Oblomow niet lui is.[2]
Welnu, de these van dit artikel is dat Oblomow wel degelijk lui is. Zelfs als
men de definitie toepast die Van het Reve zelf van een lui mens geeft,
namelijk, dat het iemand is die niet graag werkt en zich niet graag beweegt.
Oblomow heeft volgens van het Reve, een veel interessantere eigenschap: hij
heeft een enorme weerzin ontwikkeld om zich druk te maken 'over dingen waar
iedereen zich druk over maakt.' Dat is een buitengewoon aangename eigenschap
die naar mijn mening de luiheid niet uit hoeft te sluiten. Integendeel, lui
zijn betekent juist ook die veel interessantere eigenschap waar Van het Reve
over spreekt. Luiheid is immers een eigenschap die, evenals schoonheid, in
het oog van de toeschouwer schuilt. Onbeweeglijkheid en het ontbreken van
werklust openbaren zich met name in het oordeel van een ander. Luiheid is een
oordeel, en dat oordeel zegt meer over de persoon die het in de mond neemt dan
van hetgeen waar het op doelt. Luiheid betekent alleen dat de oordelende in
onwetendheid verkeert over de mysterieuze mechanismen die zich draaiende houden
in het onbeweeglijke lichaam dat hij aanschouwt. Die schijnbare zorgeloosheid
zal dan ook flink gaan irriteren en al gauw zal hij als luiheid te boek komen
te staan, één van de zeven hoofdzonden.
Naar mijn
mening is luiheid eerder de basis voor alle intelligentie. Alleen een lui mens
zal de kortste weg tussen twee punten kunnen ontdekken; alleen een lui mens
zal de lijfspreuk van Willem van Ockham serieus kunnen nemen, namelijk dat het
zinloos is om iets met meer middelen gedaan te krijgen dan nodig is; en alleen
een lui mens zal zich uitsluitend bekommeren over de dingen die voor hem of
haar van echt belang zijn. Luiheid is een economisch principe dat zijn kracht
nog niet heeft mogen bewijzen.
Maar er is
een sterker bewijs aan te voeren dat Oblomow wel degelijk lui is. En dit bewijs
geeft aanleiding tot het formuleren van een breder doel voor dit artikel,
namelijk het corrigeren van de historische veronachtzaming van de fysiologische
aspecten in het denken van Edmund Burke.
Er zit nagenoeg precies honderd jaar tussen de publikatie
van Edmund Burke's A Philosophical Enquiry Into the Origin of Our Ideas of
the Sublime and the Beautiful (1757) en I.A. Gontsjarow's Oblomow
(1859).[3]
En behalve het feit dat een Nederlandse vertaling van het laatste en een
belangrijke heruitgave van de eerste allebei in het jaar 1958 uitkwamen, zijn
er geen duidelijke redenen om de twee boeken naast elkaar te leggen. Het eerste
boek houdt zich bezig met esthetische vraagstukken, de ander is een roman over
het eeuwige uitstel.
De
toevallige ontmoeting is echter zijn eigen rechtvaardiging. Het toeval
bemoedigt een geloof in een mysterieus determinisme waarvan de ontkenning tot
nu toe onze grootste wetenschappelijke verdienste is gebleken. Het toeval
bouwt patronen van verhoudingen die alleen de wetenschap weer kan afbreken. En
als zij daar niet toe in staat is, dan is het haar taak om te verklaren waarom
dat weefsel van toeval zo hardnekkig blijkt te zijn. Als zij dat kan dan is het
toeval opeens geen toeval meer. De wetenschap is een vernielzuchtig
instrument. Het enige waar zij toe in staat is is om de ene manier van kijken
te verbrijzelen met een andere die harder is.
De taak van
dit artikel is een archeologische. Het zoekt naar de scherven van een systeem
waarvan alleen enkele spolia hier en daar in de geschiedschrijving nog te
herkennen zijn.[4]
Edmund Burke (1729-97), van oorsprong een Ier, woonde in
Engeland. Vanaf zijn vijftiende -zo schrijft hij vijftig jaar later in een brief
aan een vriend- zou hij bezig zijn geweest met esthetische
vraagstukken, en dan vooral met de relatie tussen schoonheid en het
verhevene.
[5] In
1757 publiceert hij zijn ideeën. Twee jaar later -in 1759- komt er een
nieuwe uitgave van het boek met een aantal veranderingen waaronder de
toevoeging van een essay over de smaak. Dit is tevens de laatste herziene
uitgave, want na 1759 kijkt Burke niet meer om naar het onderwerp. Deze tweede
editie wordt door de zelfde uitgevers de komende dertig jaar om de drie jaar
heruitgegeven.
Na 1759
stort Edmund Burke zich in de politiek, en vooral in de politicologie. In 1765
neemt hij zitting in het lagerhuis. Als politicus is hij geen noemenswaardig
succes, als politicoloog is hij daarentegen van historisch belang. In de
geschiedschrijving staat dan ook zijn politieke denken centraal. De Encyclopaedia
Britanica bijvoorbeeld, doet zijn bijdrage tot de esthetiek in één zinnetje
af terwijl er vijf hele kolommen aan zijn politieke theorieën worden gewijd.
Maar het is hier niet de plaats om daar verder op in te gaan.
Men zou misschien gedacht hebben dat de Philosophical
Enquiry over het verhevene en het schone
gaat. Maar dat is niet zo. Definities van het verhevene en het schone, alsmede
beschrijvingen van hun verschijnselen, waren er rond 1750 al.
[6]
Dat Burke daar toch wat aan toe te voegen had staat vast; maar zijn motivatie
om het boek te schrijven kwam vanuit een specifieke hoek. Dat een groot deel
van het essay een encyclopedische classificering betreft van wat nou objecten,
situaties en evenementen zijn die het gevoel van het verhevene of het schone
kunnen oproepen is eigenlijk bijzaak. Burke dacht een originele bijdrage aan
de discussie te kunnen leveren als hij zich zou richten op de oorsprong
van deze gevoelens. Niet de historische oorsprong, maar de fysiologische-, de
herkomst van het gevoel in ons lichaam. De titel spreekt niet voor niets over
"the origin of our ideas of the Sublime and the Beautiful". Burke
geeft ons een beredenering van het lichamelijke proces dat in een bepaalde
emotie resulteert.
Dit houdt
onder andere in dat het betoog niet met een definitie begint, maar dat ieder
opeenvolgend argument in een steeds nauwkeuriger definitie culmineert. De
retorische opbouw is zo dat Burke met elke pagina iets meer van het verschil
tussen het verhevene en het schone laat blijken. De meest volledige
aforistische definitie van het verhevene als esthetische categorie wordt dan
ook pas in het vierde deel van het boek gegeven.[7]
Maar het betekent ook dat hij zich grondig heeft ingewerkt in de eigentijdse
theorieën op het gebied van de fysiologie en van de psychologie. Beiden werden
in zijn tijd gedomineerd door de associatie-leer van vooral David Hartley.[8]
Verder moest Burke ook rekening houden met de laatste ontwikkelingen in de
natuurwetenschappen die, door de ontdekkingen van Newton en zijn voorgangers,
de gehele metafysica hadden doen verschuiven.[9]
Nu is het probleem dat het overgrote deel van de recente
literatuur over de geschiedenis van het begrip 'Het Verhevene' zeer weinig
aandacht schenkt aan het fysiologische proces dat volgens Burke aan het gedefinieerde
concept vooraf zou gaan. Waarom dat zo is, heeft niet alleen te maken met het
feit dat de eigentijdse premissen die gehanteerd werden om tot een
fysiologische verklaring te komen tegenwoordig inadequaat worden geacht, maar
ook omdat hij, naar mijn mening, niet goed wordt begrepen.
In de
geschiedschrijving van het verhevene ontbreekt het geheel aan de enorme hoop
geestelijke vuilnis dat zich heeft opgestapeld naarmate het begrip zich
filosofisch heeft ontwikkeld. En dit gemis veroorzaakt een aanzienlijke
historische vertekening. Het is hier dan ook niet de bedoeling om het te
hebben over het verhevene zelf, daar is al veel literatuur over. Het is ook
niet de bedoeling om die situaties te beschrijven die het gevoel van het
verhevene zouden moeten oproepen. Ik wil kijken naar de historische vuilnis,
dus naar de constructie van het argument dat Burke gebruikt om tot een
definitie, en een verklaring van het verhevene te komen.
Het dubieuze element in de theorieën van Burke openbaart
zich, paradoxaal genoeg, in de methode die hij hanteert om tot een verklaring
van de begrippen schoonheid en het verhevene te komen. De paradox schuilt in
het feit dat Burke zijn inzichten probeert te controleren door middel van
inductieve beredeneringen en experimenten. Dat wil zeggen dat hij zich
modelleert op het empirisme dat in Engeland vanaf de tijd van Francis Bacon in
de vroeg zeventiende eeuw hoogtij viert. En dat zou goed zijn, ware het niet
dat tevens slecht is.
Dat
empirische element maakt de logica van Burke sterk afhankelijk van een
eigentijdse ideeënwereld die niet vies was van bijvoorbeeld, de fysionomie; een
ideeënwereld die het menselijke lichaam met -naar twintigste eeuwse maatstaven-
buitengewoon primitieve analogieën benaderde. Natuurlijk hadden de anatomie en
de gezondheidsleer geweldige stappen gemaakt sinds de tijd van Galenius. Maar
de chirurg was in de achttiende eeuw nog altijd een barbier. De circulatie van
het bloed was nog maar honderd jaar tevoren uitgevonden door William Harvey
(1578-1657). Hoe zenuwen precies werkten zou nog voor anderhalve eeuw een
mysterie blijven. Daar komt bij dat allerlei deterministische correspondenties
tussen verschillende aspecten van de wereld der verschijnselen die
tegenwoordig als pseudo-wetenschappen worden aangeduid toen nog een zekere
geldigheid genoten. Men moet niet vergeten dat de geschiedschrijving historische
figuren als Kepler en Newton op een gewelddadige manier heeft gezuiverd van hun
zogenaamde 'dubieuze kanten'.[10]
Het
wereldbeeld van de eerste helft van de achttiende eeuw was nog altijd gebaseerd op het
bestaan van een God die op esthetische grondbeginselen het universum had samengebonden.
Veel wetenschappelijk onderzoek was er dan ook bewust op uit om juist
die esthetische verhoudingen bloot te leggen, om zo de onmetelijke schoonheid
van de goddelijke schepping beter aan te kunnen tonen.
Zo ook
met Burke, zijn theorie berust op de bevrediging van de gelijkenis, de analogie.
Zijn theorie komt niet uitsluitend voort uit een historische traditie maar
staat in een dialectische verhouding tot een aantal andere gebieden waaronder
ook de fysionomie, de laatste ontwikkelingen op het gebied van de kennisleer,
de fysiologie, zijn opvattingen over de moraliteit, religie, enz. Specifieke
bronnen die hij aanhaalt zijn onder andere, de Optica en de Philosophiae
Naturalis Principia Mathematica van Newton, de kennisleer van John Locke en
het associanisme van David Hartley. De bevindingen van eigentijdse chirurgen
worden met regelmaat als bewijs aangevoerd, en ga zo maar door. Zijn systeem
berust op een bricolage van overgehevelde wetenschap en dat veel van die
wetenschap sindsdien op de vuilnisbelt is geëindigd kan men hem nauwelijks
kwalijk nemen. Maar de geschiedschrijving houdt niet van vuilnis dat laat het
aan de archeologie over.
Iedereen
die een oordeel over Burke heeft geformuleerd, voelt zich genoodzaakt
vooral zijn fysiologische verklaring wat betreft het verhevene veilig te
verpakken zo dat het geen kans krijgt om de rest van zijn systeem te besmetten.
Het wordt weggemoffeld, fel aangevallen of vergevend geneutraliseerd, maar
iedere auteur voelt zich genoodzaakt om zich ervan te distantiëren.
Walter
John Hipple Jr. in zijn boek The Beautiful, the Sublime,
& the Picturesque in Eighteenth-Century British Aesthetic Theory,
citeert bijvoorbeeld Richard Payne Knight: "I have never met with any man of
learning, by whom the philosophy of the Inquiry into the Sublime and the
Beautiful was not as much despised and ridiculed, as the brilliancy and
animation of its style were applauded and admired."[11]
Hipple zelf voelt zich in 1957 nog genoodzaakt om tot verdediging over te
gaan."There is a tendency among aestheticians and scholars, unhappily, to regard
the Sublime and the Beautiful as valuable chiefly
for its collection of aesthetic data but as negligible philosophically...I
cannot share this view; if the physiological theory of Part iv were replaced by
a more thorough analysis of association -if it were simply deleted- the Sublime
and Beautiful would remain a brilliant if incomplete system, of merit not
historical but absolute and permanent."[12]
Dat is
een compliment, maar niet zonder voorbehoud. Een incompleet systeem is geen
systeem. Systemen verlenen hun bestaansrecht aan een grote mate van
zelfstandigheid en aan het feit dat zij in staat zijn beweging te veroorzaken.
Een horloge waarvan het systeem incompleet is werkt niet. Burke zelf, en dat mag
men niet vergeten, heeft later nooit de behoefte gehad om zijn systeem aan
te passen aan deze kritiek. Het is de bedoeling van dit artikel om het systeem
als werkend mechanisme eens te onderzoeken.
De traditie van het verhevene komt uit de retorica. Het
verhevene werd gezien als de hoogste van de drie stijlen van welsprekendheid.
Een stijl dat mensen tot daden moest bewegen, of in ieder geval tot het
goedkeuren van de daden van anderen. Het werd ook wel de grootse of gewichtige
stijl genoemd, en die synoniemen geven aan waar de betekenis van het verhevene
ongeveer moet hebben gelegen in de klassieke oudheid. Het verhevene was
natuurlijk vaak het onderwerp van theoretische discussie. Een beroemde
verhandeling uit die tijd, die helaas verloren is gegaan, is van
Cecilius.[13]
De bron die later in het Westen grote bekendheid verwierf was in feite bedoeld
als antwoord op Cecilius. Peri hypsous, of Over het verhevene, werd in de eerste eeuw na Christus geschreven; men heeft
lange tijd gedacht dat dit traktaat van de hand van Dionysius Cassius Longinus
was, taalkundigen hebben dat echter tegengesproken, vandaar dat het
tegenwoordig vaak onder de naam Pseudo-Longinus verschijnt.
[14]
Het
Griekse manuscript werd in de zestiende eeuw her-ontdekt en
gepubliceerd in Basel in 1554. Een vertaling in het Latijn verscheen in
1572. Maar de nauwe verbintenis tussen het gevoel en haar medium in de retorica
werd pas los gemaakt toen Nicolas Boileau-Despréaux, (1636-1711) het traktaat
naar het Frans vertaalde en van commentaar voorzag. Pas daarna ging het
begrip ook op andere terreinen betekenis krijgen.
Boileau's
vertaling getiteld: Traité du sublime et du merveilleux
dans le discours, werd in 1672 gepubliceerd en daarmee werd de fusie
van het verhevene met het schone bewerkstelligd.[15]
Het verhevene werd gezien als een aspect van het schone, een soort
telescopisch verlengstuk. De frase: "The Beautiful and the Sublime"
werd dan ook een onafscheidelijke twee-eenheid in de schoonheidsleer.
Vrijwel iedere estheticus in de achttiende eeuw heeft aan de configuratie van
hun verhouding gesleuteld.[16]
Allemaal kwamen ze tot kleine verschuivingen in betekenis en
relatie waardoor er een semantische kakofonie ontstond die steeds
luidruchtiger werd naarmate iedere denker harder ging schreeuwen om het
geluid te doen stoppen.
Burke was
daar natuurlijk ook schuldig aan. Het grote verschil is dat het hem lukte de
anderen het zwijgen op te leggen. Zijn ideeën maakten indruk en gingen al gauw
als standaard fungeren, of in ieder geval als uitgangspunt voor het
werk van latere denkers.
Burke begint zijn onderzoek met het bewuste doel de
verwarring te doen verdwijnen. Het eerste voorwoord leest dan ook als manifest.
Hij ziet een Babylonische spraakverwarring. Hij wil consistentie aanbrengen
in het geheel. Niettemin zal het standaardiseren van betekenis niet
genoeg zijn om die verwarring te verhelpen.[17]
Om het probleem voor eens en altijd op te lossen moet de gehele kennisleer
en zelfs een belangrijk aspect van de metafysica worden omgespit.
Woorden, schrijft hij in het tweede voorwoord waarin hij zijn
critici te lijf gaat, zijn niet meer dan het gevolg van een willekeurige
keuze van een symbool voor een bepaald begrip. Wat betreft het gebruik van
woorden duldt hij dan ook geen kritiek. Daarentegen is een aanval op
de bijzondere betekenis die hij aan een bepaald woord geeft wel legitiem.
En vanuit dat standpunt gaat hij over op een verdediging van de
methode die hem naar zijn systeem leidde.[18]
Een rationalistische verkenning van 'the laws of nature', schrijft hij, levert
een hypothese op die vervolgens door middel van de inductie kan worden
geverifieerd. Betreft het een hypothese op het gebied van de kennisleer, dan zit
er niets anders op dan een grondige psychologische zelf-analyse toe te
passen.[19]
Op basis van die combinatie is hij in staat een aantal axioma's te formuleren
waarmee hij vervolgens verder graaft om alle consequenties die zijn hypothese
aangeeft uit te werken.
In de
eerste negen pagina's van het eerste deel bouwt Burke dan ook het fundament
waarop zijn gehele systeem berust, namelijk, het verschil tussen het verhevene
en het schone. Het eerste hoofdstuk heet Novelty. De verwondering, zegt Burke in
navolging van Aristoteles, is het eerste en meest elementaire gevoel
in de mens. Het is een actief principe waarmee we ons verlangen naar het nieuwe
begeleiden. Het bevredigen van de verwondering is echter niet genoeg. Het
is slechts de oppervlakte van een groot mechanisme. De eeuwige zoektocht naar
nieuwe impulsen is immers net zo goed een vorm van verveling omdat het niet
boven de herhaling uitstijgt. Burke manifesteert zich hier als een
vroeg criticus van het pret-syndroom.[20]
De nieuwsgierigheid moet tot meer leiden en in haar streven wordt zij begeleid
door een verschijnsel met twee kanten: pijn en genoegen.
Dit
dualisme is vanaf het begin van de filosofie één van de meest belangrijke
ethische problemen geweest.[21] Het dirigeert, volgens vele
filosofen, ons hele handelen.[22] Van Locke neemt Burke het idee
over dat pijn en genoegen allebei eenvoudige gevoelens voorstellen die niet
nader te definiëren zijn.[23] Maar daar houdt de
gelijkenis tussen Locke en Burke abrupt op.[24] Locke wordt verweten dat hij pijn
en genoegen te afhankelijk van elkaar zou hebben voorgesteld.
Pijn en genoegen zijn, volgens Burke, in hun meest elementaire staat ieder
positief van aard en geenszins afhankelijk van elkaar voor hun
bestaan.[25] Maar hij voegt er nog een gevoel
aan toe: "The Human mind is often, and I think it is for the most part, in a
state neither of pain nor pleasure, which I call a state of
indifference."[26]
Daarmee
heeft Burke zijn fundament gelegd. Er is niet alleen pijn en genoegen, er is
pijn, genoegen én onverschilligheid of neutraliteit. Deze constatering is
van groot belang voor zijn theorie over schoonheid en het verhevene, en vooral
het verschil tussen beiden. Nu bestaat er immers een duidelijk verschil tussen
het wegnemen van pijn en het verkrijgen van een positief genoegen:
"the
dimunition or ceasing of pleasure does not operate like positive pain; and the
removal or dimunition of pain, in its effect has very little resemblance to
positive pleasure...Pleasure, when it has run its career, sets us down very
nearly where it found us...when it is over, we relapse into indifference, or
rather we fall into a soft tranquillity, which is tinged with the agreeable
colour of the former sensation."[27]
Dit vindt hij makkelijk bewezen. Het andere -dat het
weghalen van pijn niet direct een positief genoegen als resultaat heeft- is
echter moeilijker aan te tonen. Hiervoor moeten we ons proberen te
herinneren in welke staat onze geest zich bevond toen we aan een dreigend gevaar
net op tijd wisten te ontsnappen, of toen we verlost werden van een wrede
pijn:
"We have
on such occasions found, if I am not much mistaken, the temper of our minds in a
tenor very remote from that which attends the presence of positive pleasure; we
have found them in a state of much sobriety, impressed with a sense of awe, in a
sort of tranquillity shadowed with horror."[28]
En zo gaat het brein door in een soort roes, het valt niet
meteen terug naar een staat van onverschilligheid maar gedraagt zich net
als de woelige golven na een storm. En pas na dat alle emoties die bij dat
gevaar werden opgeroepen geheel zijn opgelost in de geruststelling van het
lichaam, pas dan worden we weer onverschillig.
Naar
aanleiding van deze indeling constateert Burke het bestaan van twee symmetrische
maar autonome vormen van een positief genot. Allebei zijn ze heerlijk maar ieder
heeft een eigen herkomst. De eerste, het genoegen, blijft gewoon "pleasure," en
voor de andere neemt hij het reeds bestaande woord "delight" en geeft het
een andere betekenis. De-light staat bij Burke voor de opluchting, of
verademing. Het verschil tussen beide wordt benadrukt wanneer het genot ten
einde komt. Het staken van een positief genoegen kan namelijk op drie manieren
het brein beïnvloeden. Als het eenvoudigweg ophoudt na zijn natuurlijk verloop
dan is het resultaat onverschilligheid. Als het abrupt ophoudt dan geeft
men zich over aan het gevoel van teleurstelling, maar als het op zo'n
manier ophoud dat er geen kans bestaat dat dit specifieke genot ooit weer terug
komt in de zelfde vorm dan is de emotie die ontstaat een vorm van verdriet of
leed (grief).[29]
Grief oftewel verdriet moet echter niet worden verward
met een emotie die te maken heeft met pijn. Grief
-verdriet, smart, droefheid- wordt door de persoon die het ondergaat
gekoesterd; hij of zij geeft zich welwillend over aan verdriet: "Het is de aard
van verdriet om het object waarover men verdrietig is, in het geheugen te willen
houden. In het verdriet speelt genoegen een grote, zo niet de grootste rol, en
dat kan nooit het geval met pijn zijn."[30] "Niemand," schrijft hij met
charmante naïeviteit, "wil pijn ondergaan." Delight
daarentegen houdt de pijn waarvan zij het gevolg is niet vast op dezelfde
manier. Met pijn ga je niet dwepen, je bent maar wat blij het te vergeten, of in
ieder geval het in een ander gevoel om te zetten.[31]
Uiteindelijk, en dat is nu wel duidelijk, zal het er op neer komen dat
het verhevene iets te maken heeft met opluchting en dat schoonheid zich beweegt
op het gebied van het genot oftewel 'pleasure'. Maar er zit nog een schakel in
de procedure. Burke onderscheidt twee instincten: namelijk de drang om te
overleven en de drang tot gemeenschap.[32] Alle menselijke gevoelens kunnen
volgens hem tot die twee drang-soorten herleid worden. De gevoelens die met
zelfbehoud of het overleven te maken hebben centreren zich dan rond de ideeën
pijn en gevaar, en dit zijn de meest krachtige gevoelssoorten, terwijl de
gevoelens die te maken hebben met gemeenschap zich om het begrip genot
rangschikken.
Pas nu is het argument rijp om zijn versie over de
fysiologische oorsprong van het verhevene te lanceren, en let goed op.
In het hoofdstuk 'On the Sublime,' geeft Burke namelijk geen definitie van het
gevoel. Hij geeft alleen de voorwaarden aan voor het ondergaan van die
emotie:
"Whatever
is fitted in any sort to excite the ideas of pain, and danger, that is to say,
whatever is in any sort terrible, or is conversant about terrible objects, or
operates in a manner analogous to terror, is a source of the sublime."[33]
Hier heeft Burke de traditie ver achter zich gelaten.
Door zijn voorgangers werd het verhevene, zoals eerder gezegd, gezien als
een verlengstuk van het schone. Burke heeft -door een ander theoretisch
model van de biologische processen die zich in de mens afspelen na te
volgen- een overtuigend verschil aan kunnen brengen tussen het verhevene en het
schone.
In het
vierde deel van zijn essay gaat Burke dieper in op de fysieke oorzaak van het
verhevene. Hij begint door de rol van de ervaring vast te leggen. En dat
doet hij door een beroep te doen op de associatie-theorieën van Hartley.
Vervolgens legt hij de relatie vast tussen het gevoel en de symptoom van
het gevoel. Hierbij speelt de empirische zelf-analyse een doorslaggevende
rol. Dit is overigens het deel dat door Hipple graag was weggelaten.
Hij
schrijft hoe hij in een boek van Jacob Spon had gelezen over Tomasso Campanella
(1568-1639).[34] Volgens Spon zou deze een
buitengewoon goed naäper zijn geweest. Zo goed, dat dit talent hem zelfs
geholpen zou hebben in zijn fysionomische experimenten, vooral wanneer hij
zich wou verplaatsen in de gedachtenwereld van zijn sujet. Door diens
gezicht en postuur zo exact mogelijk te imiteren zou zijn eigen geest
langzamerhand een vergelijkbare verandering ondergaan. Door de
uitdrukkingen van anderen over te nemen zou Campanella zich hebben kunnen
verplaatsen in de gemoedstoestanden van andere mensen. Voor Burke
was deze sympathie-theorie van doorslaggevende betekenis:
"I
have often observed, that on mimicking the looks
and gestures, of angry, or placid, or frightened, or daring men, I have
involuntarily found my mind turned to that passion whose appearance I
endeavoured to imitate; nay I am convinced it is hard to avoid it; though
one strove to separate the passion from its correspondent gestures. Our minds
are so closely related, that one is incapable of pain or pleasure without the
other."[35]
Burke veronderstelt een nauwe verhouding tussen
lichaam en geest. Dat de uitdrukkingen van het lichaam fungeren als de taal van
de geest, wisten we allang. Maar voor Burke was deze relatie omkeerbaar. Waar
hij voor woorden een arbitraire relatie kon aanwijzen tussen het woord en waar
het voor staat, zoals eerder is gebleken, zouden gelaatsuitdrukkingen juist een
deterministische relatie hebben met de gemoedstoestanden waar zij voor staan.[36] Neemt men de postuur, of de
symptomen aan die bij een bepaalde gemoedstoestand horen dan neemt
automatisch ook die gemoedstoestand de geest in beslag.
Deze
veronderstelling biedt hem de mogelijkheid een analogie te veronderstellen
tussen de mechanische werking van spieren en de nog onbekende manier waarop
zenuwen hun boodschap doorgeven. Want, zegt hij, pijn en angst hebben hun
werking op dezelfde delen van het lichaam. Een hond die denkt gestraft te worden
maakt dezelfde bewegingen als wanneer hij echte pijn lijdt.[37] Pijn en angst
veroorzaken allebei een onnatuurlijke spanning van de zenuwen.
Het verschil is dat de één vanuit het lichaam het brein beïnvloed, terwijl de
ander -de angst- juist vanuit het brein het lichaam beheerst.
De vraag
is nu, Hoe komt een gedachte tot stand? Het is niet zeker schrijft hij, of de
zenuwen, net als spieren, samentrekken om hun boodschap door te geven. Het
is zeker niet ondenkbaar dat een gedachte -net als beweging- door middel van
bepaalde mechanische processen tot stand komt. In ieder geval zal de manier
waarop de spieren werken op een of andere manier analoog zijn aan de fijnere
functies van het organisme zoals het zenuwenstelsel. Bij het formuleren van
een gedachte moet immers een mechanische handeling in de vorm van een
waarneming vertaald kunnen worden voor de zenuwen. Zo is werk -lopen, zagen,
eten, rennen- een vorm van pijn die de grovere delen -de spieren- van ons
organisch systeem in beweging houdt, terwijl de schrik juist een vorm van pijn
is die de fijnere mechanismen van datzelfde systeem oefent.
Als nu
die pijn zich op een manier manifesteert dat het door de ogen of door de oren
kan worden waargenomen, dan lijkt het resulterende effect op een emotie die
teweeg wordt gebracht door een gedachte, zoals bijvoorbeeld angst.[38] "Gezien het feit dat de schrik
een hevig effect heeft op de zenuwen, dan moet iets anders, dat net zo'n effect
heeft op de zenuwen, een vergelijkbaar gevoel kunnen losmaken, en moet
daarom dus ook een oorzaak kunnen zijn van het verhevene."[39] Het aanzicht van iets dat zich
makkelijk laat associëren met pijn of gevaar geeft dus aanleiding tot het
ondergaan van het verhevene.
Voor dat we nu verder gaan moeten we even terug naar
Oblomow. Om precies te zijn naar "Oblomow's Droom".[40] Ik citeer:
"Waar
zijn wij? Naar welk gezegend plekje op de aardbol heeft Oblomows droom ons
gevoerd? Wat is dit voor een verrukkelijk oord?
Het is
waar, er is hier geen zee, er zijn geen bergen, rotsgevaarten of afgronden,
geen oerwouden, er is niets, dat groots is, woest of beklemmend.
Ja, maar
waar dient al die grootsheid ook toe? De zee bijvoorbeeld? Die kan me
gestolen worden! De mens voelt er zich triest en bedrukt; tranen wellen hem naar
de ogen; zijn hart krimpt bang ineen bij de aanblik van die onafzienbare
watermassa's en zijn oog vindt nergens een rustpunt in dat eentonig verschiet.
Het donderend geraas van de branding heeft niets strelends voor zijn zwak gehoor
en zingt sinds de schepping der wereld een en hetzelfde, sombere,
ondoorgrondelijke lied, waarin steeds eenzelfde gesteun en geweeklaag
weerklinkt als van een gekweld ondier, het geroep van doordringende,
onheilspellende stemmen. Nooit kwetteren daar vogels, er zijn slechts zwijgzame
meeuwen, die somber als veroordeelden vlak langs de kust zweefvliegen of over
het water scheren.
Machteloos is de kreet van de wilde dieren naast deze jammerklacht
der natuur en ook de stem van de mens is hier nietig, en de mens zelf is klein
en zwak, verzinkt in het niet bij de weidsheid van dit beeld! Misschien is dat
wel de reden dat het zien van de zee hem bedrukt.
Nee, de
zee kan me gestolen worden! Zijn stilte en onveranderlijkheid roepen geen
vreugdevolle gevoelens op. In de nauwelijks merkbare schommeling van de
watermassa's, ziet de mens die ongrijpbare, hoewel sluimerende macht,
die van tijd tot tijd zo giftig met zijn trotse wil de spot drijft, zo grondig
zijn vermetele plannen, al zijn werken en sloven te niet doet.
Ook de
bergen zijn niet voor het genoegen van de mens geschapen. Zij zijn dreigend en
angstaanjagend, als de klauwen en tanden van een ons belagend, verscheurend
dier. Zij herinneren ons al te zeer aan de vergankelijkheid van ons bestaan
en boezemen ons angst en schrik in. En de hemel lijkt boven rotsen en afgronden
zo ver onbereikbaar, alsof hij van de mensen niets weten wil.
Hoe
anders is het vredige plekje, waar onze held zich nu plotseling bevindt.
Het is of
de hemel zich hier juist dichter over de aarde buigt, niet om zijn pijlen met
grotere trefzekerheid te kunnen afschieten, maar als om de aarde inniger, met
meer liefde te kunnen omarmen. De hemelkoepel schijnt hier zo laag als het
vertrouwde dak van het ouderlijk huis, als wil hij dit uitverkoren plekje tegen
alle rampen behoeden."[41]
En Oblomow droomt van thuis, waar het fijn en veilig is. De
emoties die aan de landschappen verbonden zijn waarover Oblomow zo
uitdrukkelijk niet droomt heeft Gontsjarow direct ontleend aan de in die tijd
allang ingeburgerde taal van het verhevene. Oblomow, als antiheld,
verafschuwt het broedende, het verpletterende, het angstaanjagende, het
gevoel van nietigheid bij de aanblik van onmetelijkheid. Wat echter minder
duidelijk is maar daardoor niet minder waar, is dat Gontsjarow ook uit de zelfde
taal van de fysiologie put waaruit Burke het verhevene tevoorschijn
haalt.
Volgens
Burke zou de goddelijke voorzienigheid het zo hebben geregeld dat de staat
van rust -hoe deze ook onze luiheid zou mogen strelen- uiteindelijk
verantwoordelijk is voor een hele reeks ongemakken. Zo erg zelfs dat de
gevolgen daarvan ons dwingen tot werk. Werk, of beweging is het enige middel om
ons leven acceptabel te maken. Rust verslapt de ledematen zodanig dat het
lichaam niet goed meer kan functioneren, het tast de vitaliteit van het weefsel
aan, en die vitaliteit van het lichaam is juist nodig om de stofwisseling
goed te laten verlopen. Gedurende een futloze, apathische staat zijn
de zenuwen vatbaar voor de meest verschrikkelijke
stuiptrekkingen, maar als die zenuwen en het lichaam in goede conditie
zijn, als ze juist sterk en krachtig zijn, kunnen ze zich veel makkelijker
schrap zetten. Melancholie, neerslachtigheid, wanhoop en zelfmoord zijn het
onontkoombare resultaat van de sombere kijk op de dingen die we ontwikkelen
in onze onbeweeglijkheid. De beste remedie hiervoor is, volgens Burke, beweging
of werk, want werk is het overwinnen van moeilijkheden.[42]
Gontjsarow beschrijft reeds op de eerste pagina van zijn
roman de oorzaak van het feit dat Oblomow zich liever begeeft in het meer
huiselijke landschap van het platte land. Ilja Iljitsj, zo schrijft hij,
"was niet donker van gelaatskleur, niet blozend, en ook niet uitgesproken
bleek, maar ondefinieerbaar, of misschien leek dat maar zo omdat hij te
gezet en te pafferig voor zijn jaren was door een tekort aan beweging of aan
buitenlucht, of mogelijk door beide."[43]
Burke komt pas tot een echte definitie van het verhevene
als hij het fysiologische fundament waarop die definitie berust helemaal af
heeft:
"if the
pain and terror are so modified as not to be actually noxious; if the
pain is not carried to violence, and the terror is not conversant about the
present destruction of the person, as these emotions clear the
parts, whether fine or gross, of a dangerous and troublesome
incumbrance, they are capable of producing delight; not pleasure, but a sort of
delightful horror, a sort of tranquillity tinged with terror; which as it
belongs to self-preservation is one of the strongest of all passion. Its
object is the sublime."[44]
Er is dus geen kwalitatief verschil tussen het verhevene en
pijn of tussen het verhevene en angst. Het is een verschil in graad. En de
drempel waarbij het gevoel van het één naar het ander verschuift, verhoudt zich
direct tot de conditie van het lichaam.
Daar
hebben we het geheim van Oblomows droom. Oblomows persoonlijke fysiologie was
van het caliber waarvoor Burke had gewaarschuwd. Gontjsarow, voor zover het
hem uitkomt, put uit dezelfde fysiologische tradities waar Burke zijn gehele
theorie aan op heeft gehangen. Een fysiologische traditie die uitgaat van een
relatie tussen de werking van de spieren en de werking van de zenuwen. Daardoor
zou Oblomow met angst en pijn het aanzicht moeten ondergaan wat anderen als iets
verheffends zouden ervaren. Wat een gezond mens tot diepe gedachten
geforceerd zou hebben, zoals een harde confrontatie met zijn of haar eigen
nietigheid, als zij, voor eventjes gezeten op de stoel van God, de wereld in
haar onmetelijkheid mag aanschouwen, zou voor Oblomow de waanzin nabij
hebben gebracht. Oblomow's luiheid was hem meester geworden. Hij kon zich
niet bezig houden met datgene waar anderen zich druk over maakten; het enige wat
hem resteerde was het ingetogen genot van de huiselijkheid die hij dan
ook tot een onovertroffen ideaal verhief. En de klemtoon van haar esthetiek ligt
juist op het diminutieve, op de minitieuze verschuivingen van stemming
en omgeving die de rust, door haar een ritme te geven, juist versterken. Het
siert Gontsjarow dat hij zijn held, na een lange wandeling langs een
onheilspellende afgrond, dat genot uiteindelijk ook gegund heeft.
Nu zijn we bij het einde aangekomen. We weten dat Burke en
Gontsjarow zich van een vergelijkbare fysiologische verklaring diende. Moeten we
ons nu gaan afvragen of die verklaring van Burke goed of slecht is? Goed en
slecht, zoals Socrates ons op het hart heeft gedrukt, zijn geen
opzichzelfstaande kwaliteiten maar verhouden zich altijd tot iets
daarbuiten. Vanuit een historisch oogpunt zal het in relatie met wat er nu
bekend is wel slecht zijn. Niettemin denk ik dat de fysiologische verklaring van
Burke niet goed begrepen is. Richard Payne Knight had naar mijn mening geen
recht Burke belachelijk te maken. We weten nu nog steeds heel weingig maar al
wel veel meer. Het historische belang van Burke voor de fysiologie wordt
genegeerd, en misschien is dat belang er ook niet. Niettemin geeft Burke een
consistente beredenering voor een proces dat pass met de ontdekkingen van
de fysioloog Theodor Schwann en Louis Antoine Ranvier in de tweede helft van de
negentiende eeuw zich begon te ontvouwen aan de wetenschap en pas met de
ontdekkingen van Hodgkin en A.F. Huxley in de jaren vijftig en zestig van deze
eeuw echte grote stappen maakte. Burke, in zijn onwetendheid gaf niettemin
een buitengewoon scherpe analyse van zijn probleem. Hij anticipeerde daarbij een
aantal belangrijke ontdekkingen, onder andere door zijn beeldspraak
waarbij hij pijn en genot in elkaar over laat gaan in
onverschilligheid. Men spreekt nu over Positief negatief en
neutraliteit. Hij beweert niet het mysterie van het zenuwenstelsel te
hebben blootgelegd, hij stelt slechts vast dat er op een of andere manier
een vertaling moet plaatsvinden tussen lichaam en geest. Hoe die vertaling in
zijn werking gaat laat Burke in het midden. Zo'n vertaling verondersteld
een analogie tussen lichaam en geest. Zo is de elektrochemishe aard van het
zenuwenstelsel nu een feit. Burke had weliswaar niet de kennis van
tegenwoordig niettemin heeft hij zich mijns inziens geheel niet belachelijk
gemaakt, hij is met zijn interpretatie van de eigentijdse theorieën op het
gebied van de fysiologie de juiste weg ingeslagen. En wat betreft zijn gebruik
van zelf-analyse, tja, daar valt weinig over te zeggen. Noem het een aberratie,
noem het een anticipatie van de psychoanalyse of probeert u zelf eens boos
te kijken.
[1].Oblomow is de held van de gelijknamige roman van I.A.
Gontsjarow. De editie door mij gebruikt is: I. A. Gontsjarow, Oblomow, vert. Wils Huisman, Amsterdam 1958, p. 7. Het
boek werd gedurende de jaren 1857 en 1858 geschreven en werd eerst in
afleveringen gepubliceerd in De
Vaderlandse Annalen vanaf begin 1859. Zie Karel van het Reve, Geschiedenis van de Russische Literatuur, van Vladimir de
Heilige tot Anton Tsjechov, Amsterdam 1985, p. 261.
[2]. Karel van het Reve, Op. Cit.,
261.
[3]. Edmund Burke, A Philosophical
Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and the Beautiful, ed.
by James T. Boulton, Oxford 1987 (1958).
[4]. Hier volgt een korte en gebrekkige lijst van
publikaties over het Verhevene: P. de Bolla, The
Discours of the Sublime: Readings in History, Aesthetics and the
Subject, Oxford 1989; Walter John Hipple Jr., The
Beautiful, The Sublime and the Picturesque in 18th Century British Aesthetic
Theory, Carbondale 1957; A.O. Lovejoy, Essays
in the History of Ideas, Westport, Conn. 2e ed. 1978; S.H. Monk, The Sublime: a study of Critical Theories in XVIII-Century
England, Ann Arbor, 2e ed. 1960; M.H. Nicolson, Mountain Gloom and Mountain Glory: The Development of the
Aesthetics of the Infinite, Ithaca, 1959; Th.E.B. Wood, The Word "Sublime" and its Context, 1650-1760, Den
Haag/Parijs 1972. Voor een goede inleiding over het verhevene verwijs ik naar W.
Tatarkiewicz, A History of Six Ideas, Den Haag, 1980
en naar Leereenheid 8 van A. Bodar et. al., Visuele
Kunsten, Theoretische Kunstgeschiedenis, Open Universiteit, Heerlen,
1989, waar ook een meer uitvoerige bibliografie wordt gegeven.
[5]. Edmund Burke, Op. Cit., zie
Editor's Introduction p. 7. Refereert naar Sir James Prior, Life of Edmond Malone, (1860), p. 154.
[6]. De Engelsman J. Baillie, had reeds in 1747 An Essay on the Sublime, gepubliceerd. Een nieuwe
editie, geïntroduceerd door S.H. Monk, kwam uit in New York in 1967.
[7]. Edmund Burke, Op. Cit., 136.
Een verdere definitie wordt gegeven in Deel II, Sect. 1, p. 57 maar deze is
minder compleet. Een nog eerdere definitie is op pagina 39 Deel I, Sect 7.
[8]. David Hartley, Observations on
Man, His Frame, His Duty, and His Expectations, (1749) Heruitgave,
London, 1949. Er is een facsimile editie gepubliceerd in Hildesheim, Olms,
1967. Een verkorte versie werd uitgegeven door de dominee en wetenschapper
Joseph Priestley in 1775. Voor een korte verhandeling over het Associanisme zie,
Martin Kallich, "The Association of Ideas and Critical Theory: Hobbes, Locke,
and Addison," English Literary History, XII
(December, 1945), 290-315 en R.M. Young, "Association of Ideas," Dictionary of the History of Ideas, P.P. Wiener red.,
New York, 1973. pp. 111-118.
[9]. Over de verschuivingen in de metafysica door de invloed
van de natuur wetenschappen zie o.a. Edwin A. Burtt, The
Metaphysical Foundations of Modern Physical Science; A Historical and
critical Essay, London, 1924, (2e herziene ed. 1932, 7th repr., London,
1980).
[10]. Zie onder andere E.A. Burtt, Op.
Cit., maar zie ook S. Chandrasekhar, Truth and
Beauty: Aesthetics and Motivation in Science, Chicago, 1987. en Eugene M.
Klaaren, Religious Origins of Modern Science: Belief in
Creation in Seventeenth Century Thought, Grand Rapids, Mich., 1977; Basil
Willey, The Seventeenth Century Background, Studies in
the Thought of the Age in Relation to Poetry and Religion, Londen 1936. Zie
ook verscheidene artikelen in The Dictionary of the
History of Ideas, Op. Cit.
[11]. Walter John Hipple, The Beautiful,
the Sublime, & the Picturesque in Eighteenth-Century British Aesthetic
Theory, Carbondale 1957, p. * Citaat uit Richard Payne Knight, An Analytical Inquiry into the Principles of Taste, 3rd
ed. Londen, 1806. p. 374
[12]. Ibidem.
[13]. Wladislaw Tatarkiewicz, A History
of Six Ideas, Den Haag 1980, 171-173
[14]. Ibidem.
[15]. Nicolas Boileau (vert.), Traité du
sublime et du merveilleux dans le discours, in: Nicolas Boileau, Oeuvres complètes. Introd. par Antoine Adam, éd.
établie et annotée par François Pascal, Parijs 1979.
[16]. Tatarkiewicz, Op. Cit.
[17]. Edmund Burke, Op. Cit.,
Preface 1st. ed., 1. Hierin grijpt hij direct terug op de filosofie van John
Locke wiens Essay concerning Human
Understanding (1690) ondermeer de twisten en problemen van de wereld
herleidde tot de ongrijpbare betekenis van woorden. Locke dacht dit dan ook
grotendeels op te kunnen lossen door het standaardiseren van
betekenis. Woorden moesten exact worden, exact als cijfers en zinnen, exact
als wiskundige formules. Pas dan zouden we ons realiseren dat we het
eigenlijk allang eens waren over dingen waar we alsmaar ruzie over kregen.
John Locke, An Essay Concerning Human Understanding,
London, 1690, vele edities, Book III, "Of Words". Zie vooral Hoofdstuk 10,
paragraaf 15.