PLEK: Een kort scenario van een gebeurtenis die alles behalve zeker is:

 

“Kijk,” zei de man, “hier is het gebeurd” en hij maakte een gebaar met zijn handen. “Wat?” Vroeg de andere man zonder er bij na te denken. “Hier heb ik haar voor het eerst gekust.” “Hier?” “Ja, hier, vlak voor dat restaurant met die lampjes. Het was avond en de oorlog was net afgelopen, Ik kuste haar voor de ingang van dit restaurant, en toen liepen we verder. We hadden geen honger. Ik heb er veel spijt van. Ik ga er iets aan doen.  Opdracht: teken een kaart in vier dimensies van deze gebeurtenis. Vraag: welke status krijgt deze kaart?

 

Een plek is een betoverde sfeer, een zorgvuldig geordend portret van een ruimte. Ze draagt haar betovering als een teer gewaad. De meeste mensen zien er zo doorheen; ze zien zelfs niets behalve misschien de glimlach die is overgebleven en die aan het verhaal herinnert hoe deze plek een plek is geworden. De plek van een gebeurtenis is altijd slechts een virtuele ruimte. Een aanwezigheid in het landschap dat door de herinnering, de aandacht en de fantasie verder is ingericht in het hoofd, in de herinnering. De plek bestaat echt maar wordt geportretteerd en aangekleed door ons verhaal en blijft zelf naakt achter. Zo bestaat de plek wel in de fysieke ruimte, maar het bestaan ervan in de virtuele ruimte van ons hoofd is waar ze haar slag slaat. Daar wordt de plek gemobiliseerd ten behoeve van ons eigen verhaal. Iedere plek is op die manier een heterotoop: een plek in de ruimte achter de spiegel die, als we er naar kijken, ons iets vertelt over onszelf. Daar duwen we de herinnering naar voren. De plek wordt zo gechargeerd met een toekomst. Door haar te markeren maken we haar klaar voor een rol waarmee we het leven verder zullen sturen. Zo wordt iedere plek geschapen. Het maken van een plek is in feite weinig meer dan een verhuizing. Zonder daadwerkelijk te bewegen verhuist de plek van de achtergrond naar de voorgrond, van de periferie naar het centrum. Ze wordt een baken in het landshap, de coördinaten van ons leven; ze trekt het omringende naar zich toe, ordent de wereld opnieuw en bepaalt de richting van onze aandacht. In het privilegiëren van de herinnering, worden andere virtuele lagen van haar bestaan verdrongen, maar dat gaat niet zomaar.

Het kweken van die intensiteit, die kracht in deze virtuele ruimte, heeft zijn gevolg. De geologische structuur van het verleden plooit zich naar die verandering en laat zo het bewustzijn het landschap opnieuw inrichten; niet het landschap van de eerste kus (ze hadden immers hun ogen dicht) maar het landschap van de heiligverklaring daarvan. Daardoor id de plek ook voor anderen zichtbaar, maar zij begrijpen de tekens op een eigen manier die  slechts deels communiceerbaar is. De mensen moeten worden ingewijd, en dat is een slordige bezigheid. Ook dat heeft zijn gevolg. Er wordt een gedenkteken opgericht, of iets dat er al was krijgt de status van gedenkteken en op dat moment wordt de plek, door de fysieke aanwezigheid van het gedenkteken alweer een nieuwe plek, een plek dat haar verleden heeft gekapitaliseerd voor een mooie toekomst als kern van bedevaart en toerisme. De grenzen worden opnieuw getekend. Niet de plek, maar het gedenkteken verhuist naar het centrum, een kleine verschuiving dat een nieuw universum openbaart. En dan krijgt de toerist weer zijn eigen ervaring op die plek. Ook hij krijgt een kus. Ook hij laat er zijn glimlach achter. De lagen vermenigvuldigen zich, plooien zich. De plek wordt in zijn vermenigvuldiging steeds leger, zoals alles wat vol ook erg leeg is. Er word steeds minder gezegd omdat er zoveel gezegd wordt en omdat zo weinig mensen echt geïnteresseerd zijn. Niettemin is de verandering het bestuderen waard.

 

Maar wat is nu een plek waarvan de aanwezigheid op de foto slechts te danken is aan de nabijheid tot iets anders? Wat is een plek dat aan een bijzondere straat geplaatst is waarin de stoet van een stad haar triomftochten viert, maar zelf nauwelijks deel aan heeft? Wat is eigenlijk een achtergrond? Dat is waar de kus van een man en een vrouw verbonden wordt met de mercedes van Hitler. Neem nu een plek die slechts voor weinig mensen bijzonder is. Misschien alleen de eigenaar van het gebouw, of de man die een vrouw kuste, en stel dat hij die kennis voor zich had gehouden. Zo’n plek is nauwelijks een intensieve plek te noemen, nauwelijks een portret waard? Toch is juist die achtergrond de essentiële vulling die aan de echte plek geloofwaardigheid verleent. De achtergrond is het object van het forensisch genot: een plek die in foto’s vrijwel nooit het centrum op eist, maar zich desondanks altijd op de foto van belangrijke gebeurtenissen bevindt, ergens in schillen van onze aandacht; scheef omdat de eigenlijke gebeurtenis, waar het om gaat, recht op de foto moet komen, maar tevens de plek waar het alledaagse leven zich zonder al te veel aandacht afspeelt, waar de achteloze bewijsstukken van de tijd rondslingeren: het gebroken straatlicht, de schaduw het afval. De achtergrond speelt daarom een belangrijke rol! Het levert immers het bewijs dat het portret echt is, het maakt plekken onvervalsbaar. Het dagelijkse wordt op een kleiner schaalniveau beleefd. De achtergrond wordt geleefd op het niveau van kleine zorgen en de verstrooiing. En altijd zoeken de grote gebaren van de geschiedenis contact op met die achtergrond. Zo’n achtergrond, is geen “niet-plek” zoals Marc Augé die onlangs definieerde. Niet plekken zijn plekken, of liever antiplekken die systematisch ontdaan zijn van alle verschijnselen waarmee een plek zich tot een plek verheft, waarmee een plek zich afzondert door de ruimte te scheuren en zichzelf te privilegiëren boven de rest van de oneindige leegte dat buiten ons bewustzijn staat. De plekken die ik bedoel vormen de achtergrond van ons portret van de realiteit. Een achtergrond die de wereld van het centrum, van onze aandacht aannemelijk maakt; een plek die zich realiseert in de wereld door en voor ons bewustzijn; een bewustzijn dat bewijsmateriaal zoekt, en het vindt in de achtergrond van het grootse. Alleen met de achtergrond waarin het alledaagse zich zonder onbehagen kan afspelen kan een plek die spiegel van ons bestaan op een geloofwaardige manier vullen. Deze bijplekken geven als het ware het argument van de realiteit. Ze zijn het onschuldige souvenir dat bewijs mag voeren in de vorm van banale zinnen zoals: “Hee, daar ben ik geweest, ik herken dat ding.....” Realiteit is iets dat een achtergrond van het alledaagse moet bezitten. Deze achtergrondplekken maken de voorgrond mogelijk. Ze staan zo in dienst van het andere, van de heterotoop waarmee we onszelf beter leren kennen door ontsmet het andere, wellicht het grootse te verbinden, en maken de heterotoop geloofwaardig.

 

Misschien een nog wel belangrijkere vraag: Wat gebeurt er als je zo’n achtergrond plek gaat koloniseren met jouw aandacht? Wat gebeurd er als je het stof van de vergetelheid, of liever gezegd: het stof van de veronachtzaming doet opwaaien? Wat gebeurt er als je de achtergrond er op wijst dat het een achtergrond is door het op de voorgrond te plaatsen? Wek je dan geen valse hoop? Gaat dat stof dan even doen alsof het de flinterdunne plooien vertegenwoordigt van het betoverend gewaad waarover ik het net had? Waar ben je dan mee bezig? Je bent een avontuur aangegaan, een avontuur dat de plek als beloning biedt. Je schept een nieuwe voorgrond, maar houdt hem voor nog altijd slechts een achtergrond te zijn. Wat gebeurt er als je een dergelijke plek koloniseert zonder een de ambitie te koesteren om er helemaal een plek van te maken, een waardig protret? Plaats je je daad daardoor niet buiten je eigen controle? Is dat niet net zoals vissen terug gooien nadat je ze voor de sport gevangen hebt?

Het koloniseren van een plek is altijd een gewelddadige bezigheid. Dat geweld wordt niet minder door de precisie, de liefde en de beleefdheid waarmee het proces zich voltrekt. Hoe voorzichtig je ook bent, hoe liefdevol je oogst, of het bewijsmateriaal verzamelt, de plek neemt een andere gedaante aan. Je hebt de plek voor altijd aangetast. Je plaatst hem op de voorgrond, tegen wil en dank, je verzet zijn grenzen. Het heeft nu de rol van slachtoffer, patiënt, en, ergens ook, dader. De onschuld en de verstrooiing waarmee de plek haar rijkdom, haar bewijsmateriaal verzamelt, staat in een directe verhouding tot de schaamte en angst waarmee ze dat bewijsmateriaal weer prijs geeft aan jullie intensieve aandacht. Het koloniseren van de plek omwille van het begrip is een daad waarmee de plek haar onschuld verliest.

De colonist heeft de plek haar maagdelijkheid ontnomen! En mensen wiens maagdelijkheid is ontnomen zijn niet meer onschuldig. Het verlies van onschuld is immers een erkenning van schuld. Nu is de vraag niet: had de colonist het recht? Dat is een moderne vraag waarvan men nog niet door heeft hoe weinig deze vraag eigenlijk betekent in een wereld waarin schuld en boete een eigen economie vormen. Nee, de vraag die nu aan de colonist gesteld moet worden is:  Was het fijn? Beschrijf eens wat er gebeurde en maak het verhaal mooi. Schep in je beschrijving een nieuwe plek, en stoor je niet aan de kolkende verandering. De verandering is onveranderlijk zoals Heraclitus dat al duizenden jaren geleden door had. Maak een plek waarin de herinneringen een nieuw leven krijgen, waarmee ze de toekomst zullen koloniseren. Als de aantasting van de plek een feit is, als het onmogelijk is om te observeren zonder te infecteren, neem het er dan van.

En als dat je bedoeling niet was; als je de plek niet wilt verstoren, waarom ben je er dan naar toe gegaan? Met welke pretentie denk je dat je zelf geen invloed hebt op de plek die je aan het ploegen bent? Weet je dan niet dat het ploegen een essentieel onderdeel is in het verteringsproces dat lijdt tot vergetelheid en vergiffenis in vernieuwing?

Je hebt haar net haar onschuld ontnomen, en nu blijkt dat ze haar onschuld ook maar droeg als een vies kind schone kleren draagt. Het blijkt dat dit gebouw flarden van verhalen heeft verzameld gedurende haar lange bestaan. Zij is dan wel een  maagd, maar ze is ook een oude vrijster, een Miss Havisham wellicht voor wie de tijd is stil gaan staan toen haar bruidegom niet op kwam dagen op die mooiste dag Ze heeft het met een zoen moeten doen, ergens voor een of ander restaurant. Je hebt een oude vrijster haar maagdelijkheid ontnomen! Hoe voelde dat? Baden in het opgehoopte vuil, met een microscoop langs de wanden en de kieren van haar steeds ouder wordende hoop om het woekeren van de tijd die stil zou hebben gestaan te bestuderen, haar intieme plekken te bekijken met een wetenschappelijke afstand. Langzaam, met geduld en vriendelijkheid, doorgedrongen tot de meest intieme plekken die het oog van anderen maar nauwelijks kunnen dulden. Jullie hebben een monument gemaakt, een monument van het alledaagse: een subversief monument tussen de monumenten van de Stad Den Haag, tussen de monumenten van de Vaderlandse geschiedenis waar de achtergrond van het bewustzijn, de plekken tussen het openbare leven, de plek van rust en kleine zorgen is wakker gemaakt. Hoe zal je die ooit weer laten inslapen? Hoe kan de achtergrond ooit een voorgrond worden en tegelijkertijd een achtergrond blijven?