Museum, untitled.
Jacob Voorthuis
This article Originally
appeared in CHEPOS, 2003
Een museum is een huis voor de muzen. Is dat huis een
tempel zoals het huiselijke tempeltje boven op de ziggurat
in Ur en Babylon? Een huis waar
de plaatselijke stadsgod de liefde kon bedrijven met zijn hoer die speciaal
daarvoor door de gemeente werd onderhouden? En is zo’n plek heilig of juist
besmet? Wat is precies het verschil tussen het heilige en het besmette? En welke consequenties heeft de dagelijkse aanwezigheid van de
muzen voor de huishoudelijke voorzieningen van een museum? Hebben ze ook
kinderen, die muzen? Hebben ze internet?
Soms is de geschiedenis niet meer dan een poging tot een stabiele reconstructie
van een vermeende homologische band: De vleugel en de
arm is daar een resonant voorbeeld van. Georges Bataille wist een dwingend beeld van de desacralisering en secularisering van onze
maatschappij te geven door op een dergelijke evolutionistische manier het museum en het slachthuis
te complementeren. Aan hun oorsprong ligt immers de tempel. Het is een cultuurpessimistisch beeld met een zekere maatschappelijke
urgentie. De functie van de tempel is poëtisch; ze markeert het offer en slaat door
middel van het offer een weg naar de goden. Dat zijn,
bij elkaar opgeteld, drie belangrijke taken: De enscenering van het offer zelf,
haar lokalisatie oftewel de representatie daarvan, en verticale bemiddeling. Ongetwijfeld
zijn er meer, maar dit voldoet voor het moment. Doden/Slachten is ontegenzeggelijk
de belangrijkste daad van het leven: het maakt er een einde aan. Sinds de
ontdekking van de hygiëne wordt de slachting verbannen naar de periferie van de
stad en gereduceerd tot een reflectieloos proces, doorgemechaniseerd, obsessievelijk
hygiënisch en vooral onzichtbaar. Dat is de klacht tenminste.
De rol van
representatie, die de tempel met name op de Akropolis
in Athene zo dwingend speelt, en wellicht ook de rol van de bemiddeling met de
goden is geheel losgekoppeld van het offer. Met de geboorte van het
nationalisme in de negentiende eeuw en met het succes van Bilbao
in de laat twintigste eeuw, is die rol met name overgenomen door het museum. De
ironie wil dat beide functies, de slachting en de representatie, geheel op
zichzelf zijn gegooid, ze zijn autonoom en autarkisch geworden. Het museum is
wat dat betreft wonderlijk zuiver: zij handelt uitsluitend in representatie. Het
museum als instelling is een machine ter productie en bevestiging van aanwezigheid,
simulaties van aanwezigheid wel te verstaan. De beloftes en waarschuwingen van de
religie: haar paradijs, haar zondevloed, haar hemel en haar hel, zijn in het
museum vervangen door een simulatie van mogelijke werelden: modaliteiten. De echo
van de goden is nog hoorbaar.
Er zijn nog vele mogelijke
en verrijkende vergelijkingen tussen het slachthuis en het museum. Niet in de
geringste mate is er de dappere wetenschappelijkheid waarmee zowel het dier als
het museale object aandachtig wordt bekeken, ingedeeld in een dwingende
typologie en deskundig ontleed. Vervolgens worden beiden (het dier is inmiddels
verworden tot object) opgehangen en gesorteerd naar functie of bestemming. Bataille haatte gehakt. De reden hiervoor was markant: Men kan het dier, het offer, er in niet meer in herkennen.
Het dier in zijn toestand als voedsel is toch heilig, zijn consumptie een
ritueel waarmee bewust met de herinnering moet worden omgegaan. We mogen haar
gift niet zomaar vergeten door mechanisatie. Dus het museum en het moderne slachthuis zijn de geseculariseerde, de gedesacraliseerde kinderen
van de tempel.
Toch knaagt er iets in
die beschuldiging. Die zogenaamde secularisatie van de maatschappij heeft
namelijk alles behalve secularisatie teweeggebracht. Het heeft slechts een
subversieve her-innering van de religiositeit
bereikt. Religiositeit is niet geneutraliseerd maar van gedaante veranderd. Onze
trotse secularisatie is een illusoire overwinning. Secularisatie is een
religiositeit, een antireligiositeit wellicht die zichzelf verbergt in de heterotoop, een fictief ander subject dat tot doel heeft
jezelf beter te kunnen zien. Zoals Foucault’s
spiegel: je kijkt er in, en dáár, vóór je, in een virtuele ruimte, sta je zelf!
Het is een wonder. En bovendien, door naar die virtuele “zelf” te kijken, die “zelf”
die in een ruimte woont achter de spiegel, leer je ook nog eens je zelf beter
kennen! Het museum is zo’n heterotoop: een tempel
waarin we onze meervoudigheid, onze multipliciteit
beter leren zien. En wat zie je dan? Tja, hoe feestelijk diep kan jij kijken?
Het begint altijd met de representatie van vlees, meestal levend vlees.
Er is overigens een sterke homologische band tussen
het museum en een iets oudere afstammeling van de tempel: de kerk. Bepaalde
vormen van belijdenis hadden overvolle kerken nodig om hun maatschappelijke controle,
de tempering, de temming, goed te kunnen uitoefenen. Kerken waren als dikke boekwerken,
vol bloederige, angstaanjagende en hoopgevende verhalen. Die verhalen groeiden
op elk oppervalk van het gebouw; kwamen tevoorschijn uit elke hoek en nis:
verhalen groeiden op de kapitelen, de wanden, op het plafond, boven de deuren,
en dan waren er nog de vlaggen, de tapijten, de muziek, de mysterieuze woorden
in een onbegrijpelijke taal en de ramen die de kerk vulde met het hemelse licht
van de fonkelende juwelen waarmee de straten van het nieuwe Jeruzalem geplaveid
zouden zijn. Victor Hugo
heeft er over geschreven in het meesterlijke 23e hoofdstuk van zijn Notre Dame (1831) De boekdrukkunst heeft de
kerk als boekwerk gedood. Dan gaat het niet alleen om de mis zelf. Juist ook de
bouw en het vullen van de kerk met verhalen en herinneringen was een vorm van
belijdenis. Dat proces ontvouwde zich als de pluim van een atoombom. Er was een
onophoudelijke de-en reterritorialisatie
van vormen en functies: Constructieve elementen werden
herschapen op een andere schaal en kregen een decoratieve en dus sacrale
functie, met verhaal. Het tegenovergestelde gebeurde ook dat een decoratief
element zo groot en dominant werd dat het werd opgenomen in de constructie.
Tegelijkertijd wekte
deze kerken boordevol verhalen ook walging en afschuw op. Door velen werd de
enorme overvloed aan spullen en verwarring gezien als een misplaatst populisme,
een decadentie. Reresentatie was toch immers verboden
in het tweede gebod. Al lang vóór Luther in 1501 en de
uitvinding van de boekdrukkunst in 1450 kwamen er golven protestanten.
Protestanten die onder andere protesteerden tegen de overvolle kerken. We
kunnen beginnen met de Cisterciënzers die de kerk al in de 12e eeuw
leeg haalden. Zij probeerde de representatie te vangen in abstractie in plaats
van narratie. Hun belijdenis concentreerde zich niet
op het verhaal, maar op de gedachte, en dat ontwikkelde zich in een fantastische
liefde voor de afwerking en zorgvuldige plaatsing van het steen in het licht. Ze
zagen niet het ding maar de zorg waarmee het gemaakt was, ze keken niet naar
het object in het licht, maar naar het licht zelf en bewonderde de leegheid. De
bemiddeling tussen dat spanningsveld, de liefde voor de volheid en de liefde
voor de leegheid, de liefde voor narratie en de
liefde voor abstractie, heeft elkaar vanaf dat moment op een zeer creatieve
manier bezig gehouden. Het zijn namelijk niet zozeer tegenovergestelden,
maar veel eerder complementen in een rhizomatische
dialectiek die chaotisch en wild haar mogelijkheden vervult. De leegheid is een
deterritorialisering van de volheid, en vult zichzelf
met een gepassioneerde contemplatie, de oorspronkelijke betekenis van het woord
theorie.
De parallel met het
museum is duidelijk. Het museum is de enscenering van de confrontatie van het
subject met zichzelf door het andere: de beschouwing van het object schept een
vernieuwd subject. Men kan, ten behoeve van die confrontatie, het object zorgvuldig isoleren om zo de contemplatie
zo veel mogelijk te concentreren, of men kan het object zijn confrontatie met
de wereld aan laten gaan en de ruis van de competitie en de rivaliteit tussen
dingen laten zegevieren. Net zoals vroeger bij de kerk is licht wellicht het meest
pregnante woord in een architectonische discussie over het museum. Immers is
het aanwezig maken van het object door middel van het licht de primaire
uitdaging van de architect. Niet een neutrale aanwezigheid maar een
gechargeerde, verpletterende aanwezigheid waar het object haar bestaan poneert
en betekenis vraagt en uitlokt; waar het licht verder alles tot stilte brengt. Hier
is de aanschouwing van kunst een catastrofe, in de letterlijke zin van dat
woord. De mens in confrontatie met het object wordt op dat moment geheel op
zichzelf terug gegooid; hij kijkt toe in stilte, stom geslagen.
Dan is er de strategische route, de tactische
plaatsing van objecten waarmee een dynamiek ontstaat die de toeschouwer laat
reizen. Hierbij is het niet zozeer het object zelf maar juist de relatie tussen
het ene object en het ander dat gechargeerd wordt. De bezoeker wordt meegenomen
en uit zichzelf getrokken en blijft leeg achter als de losse huid van Michelangelo op zijn laatste oordeel. Hij zal opnieuw
gevuld moeten worden met een nieuwe zelf: een catharsis. Beiden, de catastrofe
en de catharsis ondergraven de stabiliteit van de kijker. Zijn vele meningen en
zijn oh zo vrolijke oordeel worden systematisch ondergraven. Hij heeft geen
keuze: hij schept zichzelf opnieuw.
Zoals de voorgaande alinea
al even aangaf was de volheid en de leegheid van de kerk de inzet voor een
houding ten aanzien van de “gewone mens”. Hoe ver ga je om mensen de kerk
binnen te lokken? Volle kerken, met vaak sappige horror verhalen waren een
duidelijk antwoord: ver. Immers was de narratieve kerk een krachtig instrument
in de maatschappelijke controle. De kerken van de contrareformatie in Italië en
Duitsland zijn wat dat betreft hoogtepunten. Briljante ruimtelijke ensembles
van de religieuze verleiding. De lege kerk daarentegen schrok af. Leegheid is
unheimisch. In een lege kerk is men zelf verantwoordelijk voor de pret, daar
wordt de fysieke ruimte gecomplementeerd met een eigen invulling vanuit de
geestelijke ruimte. De lege kerk is
wellicht meer voor de einzelgänger.
Een vergelijkbaar
probleem doet zich voor in het museum. De drempel van het museum, ook in
metaforische zin, ligt dicht bij het stylobaat van
haar homologische archetype de tempel. Het stylobaat
is een middel tot het verheffen van een stedelijk/ maatschappelijke functie: tronen,
tempels, rechtbanken en altaren zijn duidelijke voorbeelden. Toen erboven ons
nog een hemel was, werd het verheffen van bepaalde maatschappelijke functies
een “goede zaak” bevonden, getuige de vele kerken, paleizen, musea en ander
bouwtypen die, op hun plint, niet zozeer neerkijken op de mens, als wel
zichzelf zo opstellen dat de mens naar boven moet kijken om hun aankomst te omkleden
met een gepaste solemniteit.
Met de ontdekking van
de museumdrempel als sociaal politieke grens in een maatschappij waar
egalisatie een nieuwe (anti)hiërarchie probeert te ontwikkelen zijn er allerlei
manieren gevonden om de drempel te ontkennen. Behalve op het beleidsmatig
niveau is de mate van drempeligheid van een museum in
hoge mate te ontwerpen. De ontworpen toegankelijkheid is dan ook een boeiend
aspect van de geschiedenis van het 19e en 20e eeuwse museum. Maar denk niet dat dit gepaard ging met de
slogan: “geef de mensen waarom zij vragen”, integendeel, het aanbod genereert
de vraag, zelden andersom. Dat is met name door Walt Disney
zeer goed begrepen. Disney wachten nooit tot de vraag
ontstaat. Zij scheppen de vraag door middel van de verleiding. Zij zijn dan ook,
met de inzet van het New Urbanism veel verder in de
onomkeerbare en allesomvattende musealisering van de
maatschappij.
Maar Disney bouwt volgens de overlevering geen “echte musea”. Dat
is anders met de groep weldoeners die vanuit een maatschappelijke of commerciële
preoccupatie de drempel van het museum willen “verlagen”. Zij wachten ook niet
op een vraag die niet komt, weliswaar beginnen ze met de stelling dat hoge
cultuur “gezond” is; hun museum is een moreel universum met economische
potentie. Ze willen dat “iedereen” naar Titiaan komt
kijken en ze hebben geleerd van Disney. Zij bedenken
spelletjes en bedenken verhalen om zo het leven van de gewone mens tot een
feestelijke participatie in het ongewone te maken. Het zijn dappere mensen, zij
hebben het museum gemaakt tot een pretpark, een shoppingmall.
De confrontatie met de kunst is slechts een klein onderdeel in een groot
geënsceneerd ervaringsexercitie. En het
levert prachtige taferelen van individuele weerstand en bekering op. Dit soort musea
hebben ook een protestantse reactie ontketent in de
wereld van het museum. Getuige die musea, die zichzelf tot een grote
intensiteit hebben weten te concentreren, musea die hun museale functie tot een
nieuw ontdekte zuiverheid hebben weten te distilleren. Maar eigenlijk gaat het
ons hier toch niet om. Dit artikel is een oefening in het kritisch pluralisme:
er zijn vele goede mogelijkheden, maar zorg dat je de consequenties van elke
mogelijkheid begrijpt. Zo ontstaat er een genereus debat over het museum. Een
debat dat zich niet stort op de naïeve metavraag over goed en slecht, mooi of
lelijk, maar een debat dat zich bezighoud met de beschrijving van intensiteiten
en hun mogelijke relaties, een soort brainstorm sessie.
Vragen we ons af welke musea wij eigelijk zelf
fantastisch hebben gevonden en waarom, dan zijn de redenen veelvoudig. Meestal
zijn die redenen ook geheel autonoom en niet te reduceren tot een logische
sequentie. Bilbao bekoort (of niet) omwille van het
gebouw. Het Anne Frankhuis omwille van Anne Frank. Het Louvre omwille
van de resonantie van het woord Parijs en de grootsheid en de Mona Lisa. The Tate Modern omwille van die grote
volume, in het verleden zo somber en onzichtbaar en nu zo mooi aanwezig gemaakt
aan de Thames door de meest sobere en terughoudende
ingrepen: het materiaal, de details, datgene waar
juist niets is mee gedaan. Deze multipliciteit van
het museum is het probleem en tevens de oplossing. De muzen zijn niet te
vangen, ze zijn niet trouw. Ze zijn egoïstisch, hooghartig en eigenzinnig. Ze bepalen
zelf wel hoe ze d’r uit willen zien. De
architect heeft nog alle vrijheid om te scheppen; zoals kunstenaars de mogelijke
wereld telkens weer opnieuw scheppen in een oneindig aantal modaliteiten. Alleen
als we het willen kunnen we vervolgens hun werk met plezier herscheppen in ons
eigen creatieve lezen. Maar let op, onze plicht ten aanzien van de kunst is kwijtgescholden:
alles mag. Het is echter niet zo dat alles zomaar mag. Er is geen
vrijblijvendheid in een goed museum, waar het zijn succes ook aan te danken
heeft. Maar het is wel zo dat alles mogelijk is, mits je de architectonische vraag
gedegen stelt en kritisch relateert aan de visie. Bovendien zitten we temidden
van de digitale revolutie: alle coördinaten van het debat over het museum
moeten met elke nieuwe uitvinding telkens weer opnieuw worden geconfigureerd.
Persoonlijk droom ik van
een museum als huis, met goeie stoelen, frisse lucht en mooi weer. Ik wil een openbare
zitkamer, schone WC, met een genereuze eettafel en een tuin. Liefst boven op
een ziggurat, met de mogelijkheid voor een lange wandeling in de omgeving, waar ik in alle comfort kan oefenen in
het kijken.
In de geest van de pas overleden Cedric Price, een architect die
goed vragen kon stellen, zou ik dit essay graag af willen sluiten met een stel
vragen: Wat is voor u een museum? Is het....
•
Een plek met fluisterende stemmen?
•
Een plek waar mensen zich raar en overdreven zelfbewust
gedragen?
•
Een isolatiecel voor oudere mannen in grijze of blauwe costuums die de hele dag op stoeltjes zitten en kleine
kinderen lastig vallen als die iets willen aanraken?
•
Een identikit voor het
ontvouwen van je echte “zelf”?
•
Een heterotoop voor zelf-reflectie?
•
Een plek voor goddelijke contemplatie en gepassioneerde
vervoering?
•
Een paradijs voor voyeurs en vieze mannen?
•
Een route voor een zondagse wandeling?
•
Een seculiere kerk?
•
Een machine voor licht en schaduw?
•
Een kritisch slachthuis?
•
Een schatkamer voor de elite?
•
Een machine voor de manipulatie van commerciële waarde?
•
Een machine voor de manipulatie en spontane productie van
de ongecontroleerde en wilde herinneringen?
•
Een methode om geweldloos in de ander toe te treden?
•
Een taxonomisch kennis systeem?
•
Een wetenschappelijk experiment ter bevestiging van een
hypothese over het vermogen van kinderen zich te concentreren?
•
Een gesublimeerd onderwijs instituut?
•
Een laboratorium voor sociale grensverkenning?
•
Een showcase van beschaafde barbarij?
•
De steiger voor de constructie van een geschiedenis?
•
Een technologie voor de productie van verbazing en pret?
•
Een ingewikkelde manier om mensen hongerig, dorstig en
moe te maken?
•
Het grootste verzamelstuk van het museum als instituut?
•
Een persoonlijk paleis voor leuk uitziende museum
directeuren?
•
Een stedelijk decor?
•
Een instrument voor stedelijke vernieuwing?
•
Een stadsmerk?
•
Een vorm van democratisch of bureacratische
potlatch?
•
Een politiek instrument?
•
Een machine ter bevestiging van de staat?
•
Een machine ter bevordering van het nationale gevoel?
•
Een modaliteit simulator voor mogelijke werelden?