Afval; een fenomenologie van het Daar zijn.

 

Jacob Voorthuis

 

Als u Willemstad in Curaçao uit rijdt, komt u, bijna onvermijdelijk (het is een zeer klein eiland), bij het rijksbordeel. Alle wegen leiden naar het bordeel. Het bordeel is een staatsonderneming. Het is een poging het oudste beroep onder controle te brengen: ziektes, exploitatie, enzovoorts.

 

De typologie van het bordeel is dat van een concentratiekamp. Het zal vroeger een militair kamp geweest zijn: een groot rechthoek met een muur, en daarbinnen een strikte regimentering. Lange barakken orthogonaal gerangschikt om een kern: de bar. Ik ben er zelf niet binnen geweest. Niet omdat ik dat niet wilde maar omdat ik dat niet durfde. Niettemin kon ik vanaf de heuvel het geheel goed overzien.

 

We rijden verder. Niet ver van het bordeel is een grote stortplaats voor het afval van de stad. Het heeft, zij het in een lossere configuratie, ook de typologische kenmerken van een concentratiekamp. De hopen oud metaal liggen in een zeer functionele configuratie: orthogonaal, de meest efficiënte vorm van verkaveling. Maar laten we eerlijk zijn, welke instellingen van de Westerse maatschappij hebben dat niet?

Rem Koolhaas in zijn Delirious New York ziet de twee dimensionale orde van de grid, de New Yorkse grid, als geraamte waarin een driedimensionale chaos woekert.

 

Het gaat in dit essay om het woord “Litter.” Er is geen Nederlands equivalent. Het woord dat er het dichtste bij komt is het veel poëtischer woord “afval” Maar afval heeft niet de klank van lichte voetjes en is zwaarmoediger. Afval heeft een bijbelse connotatie. “De val er van af.”

 

En heeft iemand zich ooit bekommerd wat er met het klokkenhuis is gebeurd? Dat zal toch immers het eerste afval geweest zijn, het eerste appeltje dat ooit aan corruptie onderhevig werd en de grond heeft doen sidderen. We zijn het geheel vergeten. Maar het zal gevallen zijn, nog voor dat God de daad ontdekt heeft, en daarom ligt de Hel misschien wel onder de grond.

 

Toen ik in Jamaica vertelde dat ik dit essay in Leiden als lezing zou presenteren en het zou hebben over Litter, keken ze me verwonderd aan en vroegen meteen. “Bent u er voor of er tegen.”  Ze dachten mij te kennen. Met het vermoeden dat mijn positie met betrekking tot het Christendom niet geheel zuiver zou zijn dachten ze: “Hij zal er wel voor zijn. Rare jongens die Hollanders.”

 

Maar dat is niet zo. Het is namelijk zo’n oninteressante vraag: “Bent u er voor of er tegen.” Het reduceert de gehele wereld tot een kust. U bent of in het water, of er uit; en dan? “Bent u nat of droog?” En ga zo maar door.

 

Nee. Afval is. Het is Dáár. Heidegger zal het ook gezien hebben als een actief middel tot ons bestaan. Het afval, net als onze schilderijen en ons gedrag en onze gebouwen, schept ons. Net als Job, en zijn duizenden schapen en koeien, is het afval deel van onze substantie.

 

Er is een interessante parallel tussen afval en ons bestaan. Immers worden wij, net als afval, ook de wereld in gegooid, tussen de dingen. Merries werpen hun veulens en hun nageboorte. In het Engels heeft een hond een “litter of puppies” Het werpen speelt een belangrijke rol in de conceptualisering van ons bestaan. Door het werpen wordt afval, afval. Doordat wij de wereld in geworpen worden, tussen de dingen, moeten wij ons handhaven door onszelf te scheppen.

 

Het ligt ‘m in dat werpen, dat “scattering”, dat afval tot afval maakt. Het ligt daar maar en trekt de omgeving geheel naar zich toe. De plaats waar het afval terechtkomt is nooit een neutrale plaats.

 

Het begrenst de plaats waar wij willen zijn. Het schept de omgeving geheel op nieuw in ons evenbeeld. En dat wekt, in onze samenleving, zo’n wilde irritatie. Die irritatie is zo erg dat de plaats ontplaatst dreigt te worden als het afval de overhand krijgt.

 

Dus nemen wij het weg. Wij nemen het met name daar weg, waar mensen graag willen zijn, en dat is nu juist waar het meeste afval gemaakt wordt, waar men feesten wil en demonstreren wil. Men neemt het weg zo dat het volgende feest zich aan het vrolijke consumeren kan overgeven zonder zich over de herinnering van het verleden te hoeven bekommeren.

 

Men brengt het afval naar een afvalstortplaats. Storten is zoveel definitiever dan werpen. En op zo’n stortplaats wordt het verwerkt door mensen die van het afval hun leven hebben gemaakt.

 

Ondanks de sociaal-economische problematiek rond het afval, is het probleem van afval in eerste instantie geen politiek probleem. Het is ook geen duidelijk ecologisch probleem voordat het een esthetisch probleem is geweest.

 

De Tsjechische schrijver Josef Klima spreekt in zijn Afval en Liefde weemoedig over het veranderende karakter van ons afval. Er is meer afval en het is van betere kwaliteit, net niet bruikbaar omdat we meer consumeren van slechtere kwaliteit en het nooit meer laten repareren, het moet sneller weg worden gegooid. Vroeger, toen alles beter was, ging een paar schoenen jaren mee, ze werden zorgvuldig onderhouden en liefdevol gerepareerd. Het moment waarop vroeger afval, afval werd lag veel later dan nu. Toen was afval in haar moment van schepping al veel verder in haar ontbindingsproces. De schepping van afval is de schepping van een einde. We zullen nu onder het afval bedolven worden: de tweede zondvloed.

 

In dit laatste aspect komt Klima overeen met de Italiaans/Cubaanse schrijver Italo Calvino. In zijn Onzichtbare Steden beschrijft hij hoe het afval ons zal verenigen en bedelven. Toen er in noord Spanje ergens in de midden jaren negentig een dorp door een afval lawine verwoest werd, waren de apocalyptici extatisch: ze hadden gelijk gekregen. Dachten ze. En de wereld ging verder. Blind en dronken in haar industrialisatie.

 

Ondanks deze twee schrijvers, hou ik voet bij stuk. Het afval is een esthetisch probleem alvorens een politiek of ecologisch probleem te worden.

 

Wellicht kent u het Sumerische gedicht dat de afval als haar belangrijkste metafoor gebruikt. Ik citeer in het Engels:

 

The storm ordered by Enlil in hate,

the storm which wears away the country

covered Ur like a cloth, enveloped it like a linen sheet.

 

On that day did the storm leave the city;

that city was a ruin

O father Nanna, that town was left a ruin

The people mourn

 

Dead men, not potsherds

covered the approaches

The walls were gaping

The high gates, the roads were piled with dead

In the wide streets, where feasting crowds would gather,

Scattered they lay

In all the streets and roadways bodies lay

In open fields that used to fill with dancers

They lay in heaps

 

The country’s blood now filled its holes

like metal in a mould

Bodies dissolved like fat left in the sun.[1]

 

In dit gedicht schuilen een aantal thema’s en beelden. Het afval dat vervangen wordt door kadavers. Het kadaver dat op het afval ligt. Het Engelse woord “Litter” betekent ook bed.

 

Die kadavers liggen her en der verspreid, in de strijd geworpen en op een bepaalde plaats terechtgekomen waar normaal iets anders gebeurt: het feest waar, net zoals met oorlog, altijd veel afval wordt geproduceerd.

 

Only look about you: blood is being spilt in streams, and in the merriest way, as though it were champagne.[2]

 

Oorlog en feest hebben veel gemeen: abandon. De achteloosheid van het woord abandon, de ongedwongenheid van het achterlaten is een kern begrip in het denken over afval. Het strooien van afval is een teken van volheid. Aan de ene kant door het mijns inziens minder opwindende concept van het conspicuous consumption,[3] waar het afval een teken van rijkdom is, en aan de andere kant de hogere, belangeloze achteloosheid van het gedachteloos verwerpen van iets omdat men al met iets anders bezig is.

 

En buiten de stad liggen die kadavers in hopen. De hoop als architectonisch type is het begin van onze moderne samenleving. Het is de proto-architectuur waar de rechthoek haar tirannie nog niet ontdekt heeft, maar wel degelijk iets van haar drang tot overheersing doet vermoeden. De hoop als voorlopige stapel is het verschijnsel van een natuurlijke aantrekkingskracht. Waar alles volgens een Aristotelische metafysica dáár opeenhoopt waar het zich thuis voelt. Het bloed dat zich in gaten verzamelt.

 

De traditionele functie van het afval is dat het ons een spontaan bewijs geeft van ons bestaan, van ons territorium. Het is de aanduiding van de plek, de grens, en de aanduiding van gewoonte, oriëntatie maar natuurlijk ook van de wellust die bij de schepping van afval vooraf gaat.

 

Het vertegenwoordigt de overgebleven drang om territorium en reproductie mogelijkheden vast te stellen. Wij kijken naar het afval als een hond die aan een plas en aan de plassertjes van andere honden ruikt. Het geeft ons belangrijke archeologische informatie. Archeologie is de ontleding van de plek.

 

Maar de territorialiteit van het afval is nog alom aanwezig. Het is een belangrijk sociaal onderscheidingsmiddel. Een vriend vertelde mij over een dorpje in Senegal waar het afval altijd op de zelfde plaats wordt gestort. Bewust. Het dorpje lag vroeger op het land, net buiten de stad. Het afval werd, zoals in vrijwel iedere samenleving, netjes op de periferie gestort - waar het hoort. Maar de stad is gaan groeien en heeft het dorpje opgeslokt in die groei. Toch weigeren de mensen van het dorpje hun afval elders te storten. Het afval hoort daar, de stad niet. Door de consequenties van de verstedelijking te ontkennen, leeft het dorp voort als dorp.

 

In Jamaica, waar het thema afval mij werd opgedrongen omdat het daar overal is, doen zich een aantal verschijnselen voor die ik wil begrijpen.

 

Druk pratende mensen, hard rijdende mensen, lachende mensen, gooien hun afval langs het pad dat ze volgen. Het ligt daar en wordt archeografisch, een herinnering aan het eeuwige gelach.

 

Maar langs die zelfde kant van de weg liggen ook overal dode honden en (veel minder) dode geiten. Ik heb ontdekt dat dit het teken is van een vrolijk genot, een hilarische sport. Honden zijn “fair game” voor de enthousiaste autobestuurders, meestal jonge mannen. Het is een vrolijke jacht. Op een rit van 50 kilometer mag men 8 a 9 dode honden verwachten. Ze liggen daar, langs de kant van de weg, opgeblazen en stijf, omringd door een wolk vliegen en tussen de ontelbare wrakken van auto’s wiens bestuurders te geestdriftig waren. Ze gaan al snel stinken die honden. Toch worden ze meestal niet weggehaald. Geiten zijn moeilijker te raken. Tom is mijn getuige.

 

De meeste mensen rijden met airconditioning aan in hun auto, dus de stank ontgaat hun in de Berkeleyaanse zin. Het bestaat niet om dat het zintuiglijk niet wordt waargenomen. Om de airco efficiënt te laten werken, houden ze ook vaak hun afval wat langer in de auto.

 

Wij zijn trots op onze Westerse maatschappij. En terecht, wij hebben immers de criteria voor die trots ook zelf uitgevonden en geformuleerd. Maar toch hebben we een fout gemaakt door onze houding tot het afval als maatstaf en embleem voor die trots te nemen. Waar het Westen zich onderscheidt op het gebied van de afval is vooral daar waar het Westen Berkeleyaanse tendensen toont.

 

Civilisatie wordt door ons gemeten in de afstand tussen de mens en zijn afval. Hoe groter die afstand hoe geciviliseerder wij ons voelen. Afstand zowel in werkelijke termen als in metaforische termen.

 

Wij maken concentratiekampen voor alles, en ook ons afval: sociale concentratiekampen, materiële concentratiekampen. Foucault noemt ze heterotopia.[4] Plaatsen waar het ongewenste kan worden afgescheiden om zo wat overblijft de illusie van orde te schenken. Ons idealisme, is een idealisme dat zich niet bezig houdt met alles een behoorlijke plaats te geven maar juist alles wat onwenselijk is uit het waarneembare weg te halen. De maatschappij zoals wij hem gemaakt hebben is goed voorzover we het slechte niet te zien krijgen. Het bestaan van onze “Brave New World” is vooral een Berkeleyaanse waarheid, waarin we onszelf tot goden verheven hebben.

 

In minder ontwikkelde landen (Ik hou van die frase omdat die vooral onze eigen feestende blindheid benadrukt) ligt het afval dichter om de mensen heen. In armere wijken bereikt die afstand vaak een nulpunt. Afval is er overal en zo kleurrijk, zo vrolijk. Het is deel van de natuur. Het is ook ongezond in die zin dat het veel leven veroorzaakt, leven dat vaak een parasitaire vorm aanneemt. Zijn  deze armere mensen minder ontwikkeld of hebben zij minder illusies?

 

In Cuba gaat de armoede gepaard met een fantasievolle overlevingsdrang. Het afval daar is dan ook gereduceerd tot een minimum. (ik bedoel het woord reduceren hier in de vorm die het ook in het koken en in de scheikunde heeft, niet zozeer in de logische zin) Het is kleurloos en substantieloos. Dat komt omdat in Cuba afval pas erg laat afval wordt. Tegen de tijd dat er in Cuba afval ontstaat, is het al half verteerd en kunnen alleen nog ziektes en bacteriën er wat mee aan. Daarvoor was het allesbehalve afval. Dat roept vragen over de schepping van afval op. Wanneer wordt iets afval? Is dat het punt wanneer het object ontdaan is van alle magie die het door middel van een spreuk of door agressief gedrag eigendom maakt van iemand? Dat is best een aardige definitie. Maar wat gebeurd er met afval als het ondanks de moeheid toch weer in dienst wordt geroepen?

 

Het kleurloze afval van Cuba is geen vrolijk afval. Niet het vrolijke afval van de consumptie maatschappij, de verpakkingssamenleving le société emballé, waar elk object een cadeau moet zijn. Het is veel te goed gebruikt. Het is bijna geheel verteerd.

 

Afval is vóór alles een onderdeel van de universele stofwisseling. Stofwisseling is een belangrijk onderdeel van de definitie van het leven. Zonder stofwisseling is leven immers niet mogelijk.

 

In Jamaica lopen er veel gekken rond. Zwaar onthutste mannen en soms ook vrouwen voor wie de wereld te veel is. Sommigen praten hardop tegen zichzelf of met imaginaire anderen. Ze lopen op straat rond omdat hun concentratiekamp niet meer werkt. Bellevue Mental Hospital is sinds enige tijd in zo’n staat van verval geraakt dat de gekken het er niet meer uithouden. Ze zijn ontsnapt. En de samenleving doet niet meer de moeite om ze terug naar de geestelijke afvalplaats te brengen. Dus lopen ze nu rond. Er zijn er mij twee opgevallen die wonderlijke wereldbeelden hebben ontwikkeld.

 

In Liguanea, aan de rand van Uptown Kingston waar de rijke mensen wonen, zwerft een jonge man rond. Hij draagt aan zijn lijf objecten die hij op straat vindt. Scheerschuim, of zelfs siliconenkit in zijn haar, vaak ook een roze lint om zijn penis, blikjes aan zijn arm. Het kan niet op. Nu, als je hem voorzichtig observeert dan zie je dat hij een doel heeft in zijn leven. Ik zie hem altijd steentjes verschuiven, dingetjes oprapen en dan elders voorzichtig weer neerleggen. Wat doet die man toch?

 

Er is nog een man die vele dagen languit gestrekt over de stoep van de “Wallstreet” van Kingston ligt te doezelen en te murmelen. Deze man bindt kranten om zijn hoofd en armen. Batterijen aan zijn pols. Op een dag dat ik zelf naar de bank liep om veel geld van mijn rekening te halen om daarna lekker naar de kust te vertrekken en een weekeindje uit te rusten in een villa met personeel (ja, dat is een ander probleem) zag ik dat hij zijn slag geslagen had. Zijn hele lichaam was omwonden met dikke bundels koperdraad die hij ergens had gevonden. In zijn dikke, gematte, vette haar staken elektriciteitsbuizen, van plastic, u kent ze wel. Er hing ook een schakelaar om zij middel en een heleboel batterijen en stekkers. En nog altijd die kranten artikelen en tijdschriften.

 

Ik begreep hem wel. Hij geloofde in de droomwens van de luie man. De wens dat je ’s avonds een boek onder je kussen kon leggen en de volgende dag vol zat met de kennis die er in zit. Leren door osmose. Hij is biologisch-intellectueel. Die batterijen en kranten artikelen worden aan zijn lichaam gebonden om er de wetenschap en de energie uit te halen die er in zat.

 

De eerste zwerver heeft een gecompliceerder verhaal. Maar na lange en discrete observatie had ik hem ook door. Hij is de anti-historicus. Hij kent de topografie van zijn dwaalgebied zó goed dat hij iedere instantie van stofwisseling tegen kan gaan. Elk steentje dat per ongeluk tegen de schoen van een achteloze voorbijganger komt, legt hij voorzichtig weer terug. Ieder stuk afval dat hij ziet, draagt hij als trofee van de onvergankelijkheid van zijn plek. Alleen zijn lichaam mag veranderen, zijn plaats blijft hetzelfde. Zijn lichaam is het geweten van zijn dwaalgebied: de stortplaats van zijn wereld. Daar woont hij, opgesloten in zijn eigen geest. Hij zal niet oud worden. Ik heb hem een tijd niet meer gezien.

 

Deze twee mannen, zo verward, dragen de diepste wensen van ons bestaan uit.

 

Natuurlijk is afval ook een politiek instrument: Het wrak dat de straten blokkeert in tijden van onrust. En zo is afval ook een middel tot vergelding, zoals de oude autobanden die om de nekken van afvalligen in brand worden gestoken. Maar hier ontstijgt het afval niet de rol van eenvoudig middel of eenduidige verwijzing.

 

Daarvoor moet het afval zij eigen waarden definiëren. Zo zou het goed zijn de schilderachtige functie van het afval te onderkennen. Het is zo kleurrijk, zo vol rijkdom, zo vol herinnering. En het afval is vrijwel altijd het product van een vrolijk moment, de vervulling. Onze minachting voor het product van die vervulling, het afval, heeft iets primitiefs, vooral nu dat de verpakking vaak zoveel mooier, zoveel beter bedacht en zoveel beter ontworpen is als het cadeautje dat er in zit.

 

In Jamaica, zoals in veel armere landen, wordt het afval tot een pathetische wedergeboorte gebracht. Als een rite van de eeuwige herhaling van het begin. Talloze huisjes en winkeltjes, de eenvoudigste gebouwtjes, alsof ze net het bouwen hebben uitgevonden, worden liefdevol vervaardigd van het afval dat op straat ligt of, nog voor het tot afval verklaart kan worden, gestolen wordt.

 

Deze huisjes zijn als boeken. Ze doen het klaaglied van Victor Hugo stilzwijgen. “Ceci tuera cela,” het gedrukte boek zou de kathedraal als vorm van literatuur doen sterven. Cela ressuscite ceci. Het afval is gaan leven en gaan spreken. Deze huisjes en winkeltjes spreken maar zijdelings over hun commercie, hun hoofd thema is de proclamatie van hun zijn.

 

Het land ligt vol afval, een curieus museum van het andere. Of, zoals zoveel ontwikkelingslanden, een museum van de mislukte pogingen tot ontwikkeling. Een ontwikkeling tot iets anders. Iets dat het Westen volgens velen heeft, iets utopisch. Wat mensen niet weten is dat de utopie van het Westen alleen bestaat door afzondering van het andere, het ongewenste. Het is geen utopie maar een serie heterotopieën waarin dromen van het ideale mogelijk zijn door het zorgvuldig classificeren en verbergen en opbergen van dingen die er niet thuis horen.

 

In derdewereldlanden in wiens naam de aspiratie eerste te zijn gevierd wordt, ligt een eigenaardig soort afval. Groot afval. Afval dat miljoenen guldens heeft gekost en al afval is voordat het ooit tot zijn recht komt als gebruiksvoorwerp. Het is het afval dat gegenereerd wordt door enorme ontwikkelingssamenwerkingsprojecten die mis gaan. Turbines, dammen, wegen, noem het maar op. Daar liggen ze nu, groots en subliem. Dat afval heeft nu nog een museum functie maar zal binnenkort weer deel uitmaken van de natuur. Een andere natuur, een natuur waarin afval natuurlijk is geworden en dezelfde filosofische ontwikkeling ondergaat als de ruïne in de achttiende eeuw.

 

Roestende wrakken liggen aan de kust en op het witte strand. Roest dat bloeit als bloemen, het roestende ijzer zet uit en barst open in volle schoonheid. Het is eigenlijk wonderschoon.

 

En waar afval niet onhygiënisch en vies is, zou het niet als schilderachtig gezien kunnen worden? Het heeft “pathos” Het is het bewijs dat cultuur nooit de natuur zal ontstijgen. Onze enige hoop is in een bewust samenzijn.

 

Het verschil tussen het oranje bloempje in de weide en het blauwe Pepsi bekertje op het gras, is problematisch. Waar ligt precies het verschil?

 

Als je goed kijkt naar de hoge stapels roestig ijzer op de afval bergen van Curaçao, dan zie je zelfs in het orthogonale raster van die stortplaats, de natuur die zonder enige wrok, zonder enige morele boodschap en zonder enige moeite haar stofwisseling doorzet.

 

 



[1] Lament for UR, from Thorkild Jacobsen, The Treasures of Darkness: A History of Mesopotamian Religion 1986 cited on: http://www.mindspring.com/~mysticgryphon/urlamnt.htm

[2] Fyodor Dostoefsky, Notes from Underground 1864

[3] Thorstein Veblen, The Theory of the Leisure Class, 1899 zie: http://xroads.virginia.edu/~HYPER/VEBLEN/chap04.html

 

[4] Foucault, Michel. "Of Other Spaces: Utopias and Heterotopias." Rethinking Architecture. Ed. Edmund Leach. London: Routledge, 1997