ARCHITECTUUR als
noodzaak;
EEN STUDIE
VAN DE ARCHITECTONISCHE BELEEFDHEID IN DE ARCHITECTUURTHEORIE VAN
EDWARD LACY
GARBETT
Samenvatting van het betoog
Edward Lacy
Garbett is een obscure figuur, zelfs in de microcosmos van de Engelse negentiende
eeuwse architectuurgeschiedenis. De titel Architect, waarmee hij zichzelf
verschillende malen aanduidt, is waarschijnlijk een te groot woord. Voor zover
bekend heeft hij nooit iets gebouwd. Historische interesse in zijn persoon
wordt alleen gelegitimeerd omdat hij een boek heeft geschreven naar aanleiding
van een nog altijd relevante vraag. Die vraag luidt: "Waarom is
architectuur noodzakelijk?";
Whence
the necessity of architecture...? En dat is het thema van dit
proefschrift.
Het boek (van nu af aan The Treatise), werd in 1850 gepubliceerd
onder de titel A Rudimentary Treatise on
the Principles of Design in Architecture as Deducible from Nature and Exemplified
in the Works of the Greek and Gothic Architects (Zie hoofdstuk 3). Het is
vanwege dit boek dat Garbett in de geschiedschrijving van de negentiende eeuwse
architectuur, soms een zin, soms een alinea en in drie gevallen zelfs een heel
artikel krijgt toegeschoven (hoofdstuk 19). Het feit dat hij in die
geschiedschrijving vrijwel altijd wordt verward met zijn vader of grootvader
-die wel degelijk architecten waren- illustreert de historische ongrijpbaarheid
van zijn persoon. Soms wordt hij zelfs vereenzelvigd met een gelijknamige
zeloot: een dominee die er forse meningen op na hield (Hoofdstuk 1).
The
Treatise werd goed ontvangen. Vanaf de eerste recensies in het tijdschrift
The Builder, tot en met de meest
recente historische oordelen van, bijvoorbeeld, Pevsner of de architectuurhistoricus
John Mordaunt Crook, wordt er altijd met bewondering over de ideeën van Garbett
gesproken. Hier is Pevsner bijvoorbeeld: "These
are the most advanced statements of architectural theory of the whole
mid-nineteenth century."
In de Verenigde Staten wordt Garbett zelfs populair. De denker-dichter
Ralph Waldo Emerson -over wie zo meteen meer- raadt het boek overal aan; de
beeldhouwer en kunsttheoreticus Horatio Greenough en de architecten van de
Chicago School zoals John Wellborn Root vinden het een learned and able treatise.
Ondanks die aandacht en ondanks de
lof die hij overal oogst, is Garbett een muurbloem in de geschiedenis gebleven,
of zoals architectuurhistoricus Mordaunt Crook hem beschrijft "a forgotten
guru."
De vraag is natuurlijk hoe die
duisternis omtrent Garbett gerijmd kan worden met het historisch oordeel dat zo
unaniem lijkt. Verschillende factoren spelen hierbij een rol. In ieder geval is
er de persoon zelf. Het moet een moeilijk man geweest zijn. In zijn bijdrage
aan vele polemieken over de architectuur, bijvoorbeeld in het tijdschrift The Builder, (zie hoofstukken 19 &
20) stelde hij zich vaak onbuigzaam en agressief op. Men krijgt soms het
gevoel dat hij zijn tegenstanders ronduit verachtte. Daarbij komt nog, dat zijn
latere boeken over de architectuur niet in staat waren zijn eerste succes te
evenaren. Op een gegeven moment kon architectuur hem dan ook niet meer boeien
en is hij overgestapt naar de exegese van de bijbel en het rijmen van de
wetenschap met de theologie (hoofdstuk 21).
De historische waarde van Garbett
moet niet overdreven worden, maar toch is het belangrijk om zijn positie
opnieuw te evalueren. Eén reden hiervoor is dat hij thuis hoort in een groep
architectuurtheoretici waartoe ook John Robison, Alfred Bartholomew en Robert
Willlis behoren en die zich als Engelse rationalisten laten omschrijven. Met de
analyse van Garbett’s positie binnen deze groep probeert dit proefschrift een
aanzet te geven tot een verkenning van een traditie in de Engelse
architectuurtheorie die door de zeer populaire geschriften van Pugin en Ruskin
een verwaarloosd thema is gebleven (Hoofdstukken 14, 15, 17 & 18). Het
hoofdthema van dit proefschrift is echter de boeiende poging van Garbett om een
bewijs te leveren voor de maatschappelijke behoefte aan architectuur, waarbij
de architectuur als kunstzinnig product gezien moet worden. Het is belangrijk
om hierbij even stil te staan.
Als auteur staat Garbett natuurlijk
niet los van plaats en tijd. De problemen die hij aanvoert, de verklaringen die
hij geeft -zijn theorie- spelen in op eigentijdse preoccupaties, eigentijdse
belangen en interesses. Zijn taal wordt beheerst door een manier van spreken,
zijn logica door een manier van zien, die beiden gebonden zijn aan zijn plaats
in ruimte en tijd. Dus wanneer men de vraag “Waarom is architectuur
noodzakelijk?” ontleedt en zijn antwoord op die vraag analyseert, moet er
vooral gelet worden op de veronderstellingen die deel uitmaken van zijn
ideeënwereld die zowel de vraag als het antwoord filosofisch ondersteunen
(hoofdstukken 2, 4 & 5).
Eén van de kernbegrippen uit de
eerste helft van de negentiende eeuw in Engeland is het nut: utility. De manier waarop het nut
verweven werd met het begrip schoonheid, is een belangrijk aspect van de
filosofische grondslag waarop Garbett zijn denken baseerde. Hier moet bij gezegd
worden dat het historisch belang van het utilisme in eerste instantie te danken
is aan de filosoof Jeremy Bentham. Voor hem was het nut het middelpunt van zijn
systeem: het utilisme. Voor wat betreft Garbett is echter een eerdere schakel in
de ontwikkeling van het denken dat leidde tot het utilisme van belang,
namelijk het denken van David Hume, de achttiende eeuwse Schotse filosoof. Hume
onderzocht het woord "utility" op een manier die verhelderend werkt
voor een analyse van de draaipunten in het denken van Garbett. Het behoeft geen
uitleg dat de ethiek en de kunsttheorie een belangrijk kenmerk gemeen hebben,
namelijk, dat ze allebei de esthetica gebruiken om hun doel te beschrijven en
te rechtvaardigen (Hoofdstuk 8). In David Hume's Enquiry concerning the Principles of Morals is dan ook een
hoofdstuk opgenomen dat heet: "Why utility pleases". Daarin legt Hume
uit hoe de schoonheid en de bruikbaarheid van elkaar afhankelijk zijn. Een reductio ad absurdum van zijn betoog
levert twee belangrijke stellingen. De eerste is dat Hume de welwillendheid -benevolence- als de belangrijkste deugd
aanwijst. Dit is zo omdat zij via het individu het welzijn van de samenleving
bevordert. Zonder welwillendheid kan een samenleving zelfs niet functioneren; zij
is in wezen een bijzonder geval van eigenbelang. Dit aspect van zijn argument
zal aan het eind van deze samenvatting weer worden aangehaald. Een tweede
stelling is dat het recht voor wat betreft het eigendom geen natuurlijk recht
vertegenwoordigt. Bezit, schrijft Hume, is niet natuurlijk, het is een aspect
van de cultuur. De uitspraak dat “iets van mij is,” is een vorm van wijding,
waardoor het object een verlengstuk wordt van de eigenaar. Dit aspect moet in
het denken van Garbett vrij letterlijk genomen worden.
Eigendom speelt een belangrijke rol
in de theorie van Garbett. Vooral omdat hij, deels in navolging van het Franse
achttiende-eeuwse concept caractère,
ervan overtuigd is dat de opdrachtgever en de architect, respectievelijk de
materiële en intellectuele eigenaar, het stempel van hun geest op het gebouw
drukken. Om dit verder uit te leggen moet er een kleine omweg worden bewandeld
via de achttiende-eeuwse psychologie. Een architectuur die karakter uitstraalt,
leeft en vraagt ons een kronkel in onze gedachtengang te installeren. Het
begrip karakter vereist dat wij de architectuur, gemaakt van levenloze steen,
lezen zoals wij gezichten lezen; de architectuur neemt deel aan een aspect van
het leven omdat het uitdrukkingskracht bezit. Zij is onderhevig aan een bio-
of anthropomorphisme. Hier is een passage van Ruskin over een levende
architectuur die het fenomeen uitlegt:
..things
in other respects alike, as in their substance, or uses, or outward forms, are
noble or ignoble in proportion to the fullness of life which either they themselves
enjoy, or of whose action they bear the evidence...And this is especially true
of all objects which bear upon them the impress of the highest order of
creative life, that is to say, of the mind of man: they become noble or ignoble
in proportion to the amount of energy of that mind which has visibly been
employed upon them. But most peculiarly and imperatively does the rule hold
with respect to the creations of Architecture, which being properly capable of
no other life than this, and being not essentially composed of things pleasant
in themselves, as music of sweet sounds, or painting of fair colours, but of
inert substance,-depend, for their dignity and pleasurableness in the utmost
degree, upon the vivid expression of the intellectual life which has been
concerned in their production.
Dit citaat
moet worden gelezen met het associationisme als achtergrond. Karakter in de
architectuur is mogelijk omdat wij door middel van de associatie bepaalde
vormen aan onze ervaring relateren. Zo kan een verwachtingspatroon opgebouwd
worden. Het associationisme dat via een aantal achttiende-eeuwse denkers
uiteindelijk terug te leiden is naar een aspect van de filosofie van John
Locke, berust op een zekere standaardisatie van het associatieve vermogen. In
navolging van de esthetiek van Archibald Alison die zich bediende van het
associationisme, alsmede de fysionomische theorieën van Sir Charles Bell, de
beroemde negentiende eeuwse anatomist, konden vormen worden geclassificeerd
volgens hun associatie-gehalte. Hoekige vormen stonden dan voor kracht terwijl
ronde of buigende vormen kwetsbaarheid uitdrukten. Het belangrijke was dat men
dit in de natuur dacht terug te kunnen lezen: de neushoorn, het viooltje, de
boze man wiens boosheid uit zijn hoekige vormen afgelezen kon worden
(Hoofdstukken, 10-12).
Met deze twee thema's, a) de ethiek
en esthetiek van het nut in de vorm van het functionalisme, waarbij de welwillendheid
van Hume een belangrijke rol zal gaan spelen, en b) het thema van eigendom in
relatie tot de psychologie van het associationisme, waardoor relaties in
vorm en karakter in een causale relatie worden verbonden, en waarmee objecten
aan de eigenaar kunnen worden gerelateerd zijn we terug bij onze vraag: Waarom
is architectuur noodzakelijk?
Om te beginnen moeten we kijken naar
de normatieve definitie van de architectuur die Garbett aanvoert in het begin
van zijn betoog, want die is van cruciaal belang (hoofdstuk 6). Architecture, schrijft hij in de eerste zin
van het eerste hoofdstuk, is the
art of well-building; in other words of giving to a building all the
perfections of which it is capable.
Met de vergelijking tussen perfectie en schoonheid wordt het medium aangegeven
waarmee ethische kwaliteiten vertaald kunnen worden naar esthetische
kwaliteiten. Op dat moment neemt hij Vitruvius bij de hand. Deze had
immers gezegd in zijn Architectura Libri
Decem, dat een gebouw moest streven naar drie hoofdeigenschappen, te
weten: Utilitas, Firmitas, en Venustas oftewel: Fitness, Stability, and
Beauty. Nothing,
schrijft Garbett, can be called architecture
which does not aim...at all these three objects. Deze drie eigenschappen zijn de criteria
waar de volmaaktheid van de architectuur aan kan worden afgelezen, maar
voorwaarde is dat ze als een soort drieëenheid worden opgevat. Dat wil zeggen
dat hun onderlinge samenhang, hun afhankelijkheid altijd wordt erkend.
Garbett protesteert dan ook hevig
tegen de tendens van zijn tijd, vooral vertegenwoordigd in de theorieën van
John Ruskin (1819-1900) en diens Seven
Lamps of Architecture (1849). Deze wilde immers een onderscheid maken
tussen bouwen en architectuur, waarbij bouwen slechts de eerste twee aspecten
van de Vitruviaanse drieëenheid voor zijn rekening zou nemen, zodat de
architectuur zich zou kunnen beperken tot de toevoeging van iets extra's, iets
hogers, namelijk: kunst. Dit onderscheid is uiteindelijk terug te leiden naar
het Renaissancistische spelletje van de “paragone", waarbij de kunsten
zich met elkaar vergeleken om hun meerwaarde en ook hun superioriteit te
bewijzen. Het interessante voor wat betreft het onderscheid tussen bouwen en
architectuur is dat het parallel loopt met de professionalisering van het
beroep architect. Het verschil werd dan ook in grote mate bepaald door de
maatschappelijke aspiraties van architecten. De implicatie van zo’n scheiding
is namelijk dat de architectuur zich wil profileren als een kunst, en dat
kunst zich uitsluitend bezig dient te houden met schoonheid en dat schoonheid
een onafhankelijk en absoluut (d.w.z. wetenschappelijk reproduceerbaar) gegeven
is (Hoofdstukken 4, 5 & 12-16). De organische verbondenheid van de drie
Vitruviaanse eigenschappen, die elkaar aanvullen en waarnaar de architectuur
moet streven zou, volgens Garbett, op die manier aangetast worden. Garbett zag
dat de scheiding tussen architectuur en bouwen uiteindelijk zou leiden tot het
tegenovergestelde van de eigenlijke intentie. De scheiding zou uiteindelijk leiden tot een vermindering
in waarde van de architectuur: never, schrijft Garbett, till
very lately, was the notion entertained of erecting buildings professedly with
no design beyond convenience and stability. I say professedly because a
very slight examination will, in most cases, detect the complete hollowness of
this profession, and will beget a doubt whether, in nay case, the pursuit of
these two ends alone, to the exclusion of any other is really possible in the
nature of man.
Maar zelfs als het toch mogelijk zou
blijken dat de mens zo'n onderscheid zou kunnen maken en zou kunnen bouwen
zonder de toevoeging van kunst, dan zouden de gevolgen van die mogelijkheid
niet ten goede komen aan de architectuur: As many profess then to
build "without any attempt at architecture," there has hence
arisen a habit of restricting the term architecture to that which they do not
attempt, viz. to those objects of well-building which are not included in or
essential to use and stability. Now this is a most pernicious habit, calculated
to lower while it affects to raise the sphere of the art; tending in fact to
reduce it to decoration, and its professors to mere decorators.
In een voor Garbett belangrijk essay
over Kunst, daterend uit de jaren veertig van de negentiende eeuw, probeerde de
Amerikaanse transcendentalist Ralph Waldo Emerson eveneens een kwalijk
onderscheid op te heffen: het filosofisch onderscheid tussen de schone en de
toegepaste kunsten. Hiervoor moest ook hij een omweg bewandelen. Ten gunste
van de kunst of liever gezegd ten gunste van de beschaving in het algemeen,
moest Emerson eerst de bestaande kloof tussen cultuur en natuur opnieuw analyseren
en herwaarderen en vervolgens cultuur en natuur weer in relatie tot elkaar
brengen: What is man but nature's finer success in self-explication?..
and what is his speech, his love of painting, love of nature but a still finer
success. ..? en later: A true announcement of the law of creation,
if a man were found worthy to declare it, would carry art up into the kingdom
of nature, and destroy its separate and contrasted existence.
Dit is het programma dat Garbett
zich toeëigende, zoals we in de titel van zijn boek kunnen zien. Hier belooft
hij immers de beginselen van het ontwerpprocess te zullen afleiden uit de
natuur. Emerson zocht, en Garbett volgde hem daarin, naar de organische, onderlinge
afhankelijkheid tussen de goddelijke schepping en de menselijk schepping. Het
woordje design in de titel van The
Treatise, bijvoorbeeld, slaat, in het denken van Garbett, niet alleen op de
formele aspecten van het ontwerp-proces in de architectuur, het herinnert
vooral aan het gebruik van ditzelfde woord in de natuurtheologie: "The
Argument from design," waarbij men dacht het bestaan van God af te kunnen
lezen uit de doelmatigheid die zich manifesteert in de natuurlijke schepping
(Hoofdstukken 2 & 6). Design
staat dan ook voor doelmatigheid, voor de goddelijke voorzienigheid. Die
doelmatigheid die zich in de natuur manifesteert is gerelateerd aan de doelmatigheid
-de Utilitas- die, volgens Vitrivius, een eigenschap van de architectuur
behoort te zijn. We zien hier overigens al een aanknopingspunt voor Garbett.
Want zoals eerder aangegeven, wou hij juist de onderlinge afhankelijkheid van
de drie kardinale deugden van de architectuur aantonen.
Het woord natuur staat niet alleen
voor de wiskundige matrix waarin wetenschappers wetmatigheden kunnen
signaleren; het staat net zo goed voor het tweede boek van God waarin het
geheim van de schepping in hierogliefen staat geschreven. Die twee
betekenissen van het woord natuur waren in de negentiende eeuw niet
onverenigbaar. Dat gold vooral ook voor de natuurtheologie en de
beta-wetenschappen. De wetenschap en de theorie van Garbett die
wetenschappelijk pretendeerde te zijn (hoofdstukken 2, 4 & 5) rustten
allebei op de stelling dat de natuur een doelmatigheid versluierde, een geest
-noem het God- die op één of andere manier analoog was aan de menselijke
intelligentie. Nu moeten we terug naar het thema van de scheiding tusses
architectuur en bouwen.
The virtue of Art, zo gaat Emerson
verder om het fenomeen “mode” te verklaren, lies in detachment, in
sequestering one object from the embarrassing variety. Until one object, one
thing, comes out from the connection of things, there can be enjoyment...but no
thought. Our happiness and unhappiness are unproductive. The infant lies in a
pleasing trance but his individual character and his practical power depend
on his daily progress in the separation of things, and dealing with one at a
time. Men moet classificeren
en onderscheiden om het geheel te kunnen begrijpen. Niet alleen is dit een
manifest voor een organische interpretatie van de architectuur, het is ook het
klassieke dilemma van de hermeneutiek, namelijk dat het geheel niet te vatten
is zonder de delen, waarbij de delen slechts betekenis dragen in hun onderlinge
samenhang en hun onderlinge afhankelijkheid. Dus de kunstenaar, de dichter, de
orator maakt onderscheidingen en laat het geheel vertegenwoordigen door een
deel: Every object has its roots in central nature, and may of
course be so exhibited to us as to represent the world.
Dat
is allemaal goed en wel, maar: It is the
habit of certain minds, schrijft Emerson, to give an all excluding fullness to the object, the thought, the
word, they alight upon, and to make that for the time the deputy of the world. Dit is de
tirannie van de mode, die door de nadruk te leggen op een enkel idee, dat ene
idee door alles heen weeft en alles laat bepalen. Volgens Garbett is dat precies wat Ruskin
doet: It is very necessary, schrijft
Ruskin, in the outset of all inquiry to
distinguish carefully between Architecture and Building. Datgene
waarin architectuur dan verschilt van het bouwen bepaalt het thema en de
afbakening van Ruskin’s Seven Lamps of
Architecture; het onderscheid wordt verweven met alle voorschriften die
Ruskin geeft. Ruskin wil niets te maken hebben met Utilitas of Firmitas,
tenminste niet met hun conventionele structuurgebonden definitie. Maar ook hij
ontkomt er niet aan Utilitas te verbinden met Venustas, alleen ziet Ruskin de
relatie tussen de twee niet helder; hij was immers zelf geen architect. Ruskin
zag niet, en daarin verschilt hij wezenlijk met Garbett, dat de Utilitas in de
wereld van de bouw verwant is aan de Utilitas in de filosofie. Hierin was hij
overigens in goed gezelschap. Hume had zelfs uitdrukkelijk gezegd dat het
verenigen van deze twee vormen van nut, het maatschappelijke en het
esthetische, niet mogelijk was: We ought not to imagine, because an
inanimate object may be useful as well as a man, that therefore it ought also,
according to this system, to merit the appellation of virtuous.
Maar zoals we tegen het einde zullen
zien is juist deze conclusie, zeker voor wat betreft Garbett, onontkoombaar.
Voor Ruskin was de architectuur het “onnodige” dat bij de bouw wordt
toegevoegd; onnodig in die zin, dat het niet bij hoefde te dragen aan de
stabiliteit en aan de dagelijkse bruikbaarheid van het gebouw: Architecture
concerns itself only with those characteristics of an edifice which are above
and beyond its common use. Hiermee reduceerde Ruskin de architectuur feitelijk tot
het op- en aanplakken van decoraties. Omwille van de gedachtevorming en om de
denkfout van Ruskin aan te kunnen tonen, wou Garbett die onnatuurlijke vervreemding
van Venustas uit de Vitruviaanse drieëenheid nog even handhaven en noemde haar:
"architecture proper" Maar dan dient zich een belangrijke vraag aan:
Waarom hebben
we dat deel dan net zo hard nodig als de anderen: Why, are not convenience
and stability enough to constitute a fine building?
-in other words whence the necessity for architecture proper?
In de
esthetiek van het functionalisme zou het in zijn geheel niet zijn bewezen dat
Firmitas en Utilitas niet genoeg zouden zijn voor een esthetische voldoening.
Immers, Louis Sullivan’s slogan van het functionalisme: "Form follows
function" zou later, in de architectuur van de twintigste eeuw, zelfs
een dwingende rol gaan spelen: weer zo'n "tyrant of the hour."
De Socratische formulering van het
functionalisme komt uit de Memorabilia
van Xenophon waarin beweerd wordt dat het goede en het schone altijd in relatie
staan tot de functie van het object waarop het predikaat goed of schoon wordt
toegepast. In die zin is Venustas al niet meer dan een speciale vorm van
Utilitas. Garbett beweert dat in alle toegepaste kunsten dat functionalisme
ook inderdaad voldoende is als esthetisch criterium: it
is generally admitted that in all other arts, at least in all other useful
arts, and in all objects of use, whether natural or artificial, (buildings
alone excepted) the appearance of design, the correct adaptation of means to
an end, seems in itself to constitute beauty, and even a beauty of the highest
kind, so that those who have undertaken to investigate the laws of taste in
general, as applicable to all the arts, have commonly ended by referring them
all to this principle; in fact denying that beauty can ultimately be
distinguished from utility.
Maar volgens Garbett kunnen gebouwen
hier niet aan mee doen. Er is dus een aspect van de Venustas dat wel degelijk
buiten het bereik van de Utilitas ligt, of, ten minste, lijkt te liggen.
Gebouwen kunnen precies zijn afgestemd op hun functie, ze kunnen stabiel en
sterk zijn, goed gebouwd en zeer bruikbaar, maar als ze alleen met deze
doeleinden zijn gebouwd zullen ze altijd lelijk zijn: not only devoid of beauty, but positively hideous and disgusting to
the eye. Waar, vraagt hij zich rhetorisch af, komt die ingewortelde
lelijkheid van gebouwen dan vandaan; Whence,
then arises this inherent ugliness of building..? Nu komt hij met
een vondst uit het essay over de kunst van Ralph Waldo Emerson, die tegen het
einde van het essay, vlak bij de ontknoping, schrijft over: the
selfish and even cruel aspect which belongs to our great mechanical works. Deze frase
citeert Garbett. "Ik denk" schrijft hij dan, "dat we hier tot de
kern van het kwaad zijn gekomen": is
not an unarchitectural building ugly simply because it looks selfish?
Gebouwen die alleen voor de
gebruiker en de eigenaar ontworpen zijn, die dáárom stabiel moeten zijn, die
dáárom bruikbaar moeten zijn, en zich verder om niets bekommeren, zijn egoïstisch.
Het traditionele functionalisme is een esthetiek die uitsluitend ten goede komt
aan de belanghebbenden en niet aan de buitenstaander! Dat is in wezen waar
Garbett op doelt.
Maar hoe werkt dat egoïsme dan? Het
werkt omdat gebouwen gewijd worden door de spreuk van het eigendom. Het zijn
velengstukken, de kleren van de (materiële of intellectuele) eigenaar. Maar er
is meer aan de hand. Gebouwen kunnen niet vermeden worden, ze dringen zich op
aan de belangeloze toeschouwer, ze staan onherroepelijk in de weg: the
productions of other arts,
schrijft Garbett, have not this inherent
defect. Hij doelt hier op de ingewortelde lelijkheid die uit egoistische
gebouwen spreekt. ...they are goods to
their owners without being evils to anyone. But a great building is, in
certain respects, a necessary evil: it shuts out from us air and light, and
the view of beauteous nature; it encumbers a portion of the earth's surface,
and encloses a portion of the free atmosphere. Een gebouw is een obstakel,
een trombose in het overigens pijnloze bestaan van de open natuur. Een gebouw
is nooit neutraal, het is een onderdeel van het noodzakelijke leed dat het
beschavingsprocess van de mens met zich mee brengt en moet daarom zijn bestaan
compenseren. Daarom is architecture
proper noodzakelijk. Het traditionele functionalisme is als esthetisch
criterium alleen voldoende voor de belanghebbenden. Voor de rest van de
mensheid, die het gebouw alleen als obstakel ervaart, is dat functionalisme
niet toereikend: A building devoid of architecture
displeases all who see it, all whose share of heaven's light is intercepted,
-whose view of the fair earth is bounded by it; because they see and feel that
it benefits its owner at their expense; -they have not been thought of in the
design; it is all for self, without appearing to care whether they are
incommoded or not, or to know that there are eyes without as well as within. It
is this crude, selfish rudeness which requires to be softened down by a politeness
either natural or acquired, and this politeness we term architecture.
Die eerste compenserende stap van de
architectuur, de laagste trede in een hierarchische trap van architectonische
aspiraties, is wat Garbett betreft, een zekere beleefdheid, een zekere
welwillendheid ten opzichte van de persoon waarvoor het gebouw niet in eerste
instantie is bedoeld. Architectuur staat voor het moment waarop het individu
zijn welwillendheid ten opzichte van de maatschappij toont, en het functioneren
van de maatschappij daarmee bevordert. Garbett is even mee gegaan met het
onderscheid tussen architectuur en bouwen, maar door schoonheid vast te
koppelen aan een sociale bruikbaarheid grijpen zij weer in elkaar. Deze Venustas
is een maatschappelijk Utilitas om de sociale Firmitas te bevorderen. Het is de
welwillendheid van Hume die tot een hoger niveau van maatschappelijk
functioneren leidt: een welwillendheid die de noodzaak van het eigendom in onze
gebrekkige samenleving enigszins compenseert; een welwillendheid waarbij de
levens-eigenschappen van het gebouw als verlengstuk van de eigenaar worden
omgezet in een maatschappelijk goed. Na deze conclusie bereikt te hebben in The Treatise volgt een Jacob’s ladder
van steeds hogere kwaliteiten waarnaar de architectuur moet streven, eindigend
in de dichterlijke architectuur die semantisch compleet is. (Hoofdstukken
10-16)
Het verschil tussen Garbett en
Ruskin is kleiner dan men zou denken. Het organische aspect in Garbett, dat hij
van Emerson heeft overgenomen, is een verfijning van het grovere denken van
Ruskin. Ruskin overtuigt niet door zijn logica -ondanks de schoonheid van zijn
proza- maar door zijn literair geweld. Het verschil tussen beide auteurs ligt
slechts verborgen in hun opvatting over de relatie tussen Utilitas en
Venustas, tussen utility en beauty. In wezen ziet Ruskin ook wel dat
de schoonheid een bepaald maatschappelijk en didactisch nut heeft. Immers, hij
definieert de architectuur als volgt: Architecture is the art
which so disposes and adorns the edifices raised by man, for whatever uses,
that the sight of them may contribute to his mental health, power and pleasure. Maar Garbett had goed gezien dat het
onderscheid van Ruskin (en Hume) tussen twee soorten utility, een hoger en een
lager nut, een vals onderscheid was. De voorschriften voor een goede
architectuur worden innig verbonden met ethische normen, waarbij de band tussen
Utilitas en Venustas als leidraad van zijn voorschriften dient. Waarom is
architectuur nodig? Wel, omdat zij ten goede komt aan de maatschappij;
schoonheid is een maatschappelijke noodzaak: Who then, vraagt Garbett, shall guess the difference in mental health, between a people
living surrounded and immersed in objects of bad taste, or in objects of good
taste...Are not ugly objects to be withdrawn as inflicting mental injuries
(...)?
Deze conclusie was impliciet
aanwezig in Ruskin's Seven Lamps, en
Garbett, die in vele opzichten gezien kan worden als degene die zich opwerpt om
de ideeën van Ruskin aan een serieuze kritiek te onderwerpen, maakt deze
conclusie expliciet. En dat is zijn verdienste.